Wie voedt er op? De school of de ouders?

J/M juni 2005

Leerkrachten zijn steeds meer tijd kwijt met het opvoeden van kinderen. Dat gaat volgens sommigen ten koste van de kwaliteit van het onderwijs. Moeten ouders massaal op opvoedles of kan de school zelf ook wat doen?

In april van dit jaar bracht de KRO de resultaten naar buiten van een door hen gehouden enquête onder leerkrachten. Daaruit blijkt o.a. dat:

  • 67%      van de leerkrachten vindt dat ‘ouders in toenemende mate opvoedkundige      taken op hun schouders neerleggen’
  • 57%      van de leerkrachten vindt dat ouders te weinig tijd besteden aan de      opvoeding van hun kinderen
  • 59%      van de leerkrachten zich zorgen maakt over de thuissituatie van de      leerlingen
  • 63%      zich zorgen maakt over de agressiviteit van de leerlingen

 

Volgens veel leerkrachten maken wij er als ouders dus een potje van. Ieteke Stam, een bijna gepensioneerde kleuterjuf op een Amsterdamse basisschool zou het niet op die manier willen omschrijven, maar vindt zeker dat kinderen een stuk onhandelbaarder zijn geworden. “Ik ben zelf nog opgegroeid met ja is ja en nee is nee. Ik merk nu dat kinderen veel minder goed luisteren.  Ouders zijn vaak heel inconsequent. Ze roepen wel dat van alles niet mag, maar in de praktijk laten ze het er bij zitten. Als een kind zijn jas bijvoorbeeld op de grond laat vallen en de vader of moeder zegt ‘raap dat eens op’ dan zie je vaak dat die kinderen het gewoon niet doen en de ouders de jas dus maar zelf ophangen. Dat zijn van die kleine dingen maar ze zijn wel heel bepalend voor het verdere gedrag.” Wat Stam verder zorgen baart is dat ouders zo ontzettend druk zijn. “Het gevolg daarvan is dat ouders vaak te moe zijn om op te voeden. Opvoeden is al niet makkelijk en zeker niet als je na een dag hard werken thuis komt. Dan heb je veel over voor de lieve vrede – en dan heb ik het nog niet eens over al die cadeaus die veel kinderen krijgen waarmee ouders hun schuldgevoel proberen af te kopen.  Die stress van de ouders voelen de kinderen feilloos aan. En ze weten er bijzonder handig gebruik van te maken.” Ondanks het tijdgebrek, hebben ouders volgens Stam wel hele hooggespannen verwachtingen van hun kind. Niet alleen wat de schoolprestaties betreft, maar ook als het gaat om alles wat zij doen op hun naschoolse activiteiten. “Die arme kinderen moeten zoveel. Vind je het gek dat ze af en toe heel dwars zijn.”. Tot slot betreurt Stam het heel erg dat alle gezagsverhoudingen zo langzamerhand verdwenen zijn. “Sommige ouders denken dat ze de beste vriend van hun kind moeten zijn. Die willen altijd lief gevonden worden. Maar dat werkt niet. Dat werkt een soort openheid maar ook vaak brutaalheid -‘ ik maak je dood als je me dit nu niet geeft’-  in de hand  waar de boel niet duidelijker en ook niet gezelliger van wordt.”

 

Is het echt zó erg gesteld met de kinderen of hebben we hier toevallig te maken met een mopperende, vroeger-was-alles-beter bijna gepensioneerde juf?

Hans Christiaanse, voormalig directeur van een basisschool in de Haagse Schilderswijk en momenteel directeur van de Groningse basisschool ‘de Heerdstee’ vindt het zeker geen overdreven verhaal: “Ik vind het opvallend dat steeds meer kinderen moeite hebben met bepaalde regels die vroeger eigenlijk heel vanzelfsprekend waren. Zo zijn veel van hen een stuk brutaler, luisteren ze minder goed naar anderen en zijn veel eerder geneigd om er bovenop te timmeren als hen iets niet zint. Om te kijken of ik niet de enige was die daar zo over dacht heb ik laatst bij een aantal collega’s in de regio gepeild of zij ook steeds vaker geconfronteerd worden met dergelijke gedragsproblemen. Dat bleek inderdaad zo te zijn. Het is zelfs zo, dat de meeste van hen aangeven dat zij er structureel meerdere uren per week mee bezig moeten zijn. Kinderen uit de klas halen, kinderen straffen, gesprekken voeren met de ouders, met de kinderen zelf en met collega’s, dat kost allemaal heel veel tijd, en dat gaat uiteindelijk ten kost van de lessen.”

Hoe het komt dat we – althans, een deel van ons – in de afgelopen tien jaar steeds minder goed zijn gaan opvoeden, daar kan Christiaanse slechts naar gissen. “Ik denk aan het grote aantal gebroken gezinnen, ik denk aan de verdwijnende gezagsverhoudingen – het komt echt voor dat leerlingen ‘hou je bek’ zeggen tegen een leerkracht – , en ik denk ook sterk aan het gebrek aan sociale controle. Er is niemand op straat die je als kind aanspreekt op je gedrag. Mensen zijn heel bang om bemoeizuchtig over te komen. Wat volgens mij verder een rol speelt is dat  er geen duidelijk opvoedkundig kader meer is. Vroeger was het heel duidelijk wat je wel of niet deed. Nu moeten mensen dat zelf maar uitzoeken.

 

Cees de Wit is adviseur bij de KPC-groep, een instituut dat zich bezig houdt met onderwijsvernieuwing. Hij is de eerste die toegeeft dat scholen het drukker hebben met opvoeden dan voorheen. Maar dat wil volgens hem niet zeggen dat ouders zo veel slechtere opvoeders zijn dan vroeger: “Het is in de huidige samenleving, waarin er heel veel op mensen en kinderen afkomt, een stuk ingewikkelder geworden om kinderen goed op te voeden.  Ook is het minder duidelijk welke richting je op moet met de opvoeding. En omdat het allemaal zo complex is geworden vind ik het niet meer dan logisch dat ook scholen zich meer met de opvoeding bezig houden.” Maar daarmee is de kous volgens De Wit nog niet af. Want volgens hem valt er op de scholen nog het nodige te verbeteren als het om hun rol als opvoeder gaat:  “Scholen maken om te beginnen ouders vaak helemaal niet duidelijk wat hun pedagogische visie is. Die gaan er van uit dat hun opvoedingsideeën wel overeenkomen met die van de ouders. Daarmee wanen zij zich eigenlijk nog in vroegere tijden waarin dat inderdaad heel vanzelfsprekend was. Maar tegenwoordig houden ouders er hele verschillende opvoedingideeën op na. Daarom pleit ik er voor dat scholen veel eerder duidelijk maken hoe zij tegen de opvoeding van kinderen aankijken. Dat kan tijdens een voorlichtingsavond of tijdens een individueel gesprek. Bijkomend voordeel van zo’n gesprek of voorlichting is dat eventuele verschillen in opvattingen meteen naar voren komen. Die verschillen zou je ook kunnen achterhalen door ouders bij de intake een vragenlijst te laten invullen. Als dan blijkt dat de opvattingen van de school heel erg afwijken van de opvattingen die jij hebt als ouder, dan weet je dat je je kind daar niet op school moet doen.”  De Wit komt met een voorbeeld van hoe niet expliciet uitgesproken ideeën over opvoeding in de praktijk kunnen leiden tot botsingen: “Uit een recent onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau blijkt dat ouders heel veel waarde hechten aan de autonomie van hun kinderen. Zij willen graag dat hun kinderen leren om goed voor zichzelf op te komen. Aan wat meer conformistisch gedrag – iets wat in het verleden vaak als heel belangrijk werd beschouwd – wordt beduidend minder waarde gehecht. De school daarentegen, probeert kinderen te leren om rekening met elkaar te houden en om te luisteren naar wat er gezegd wordt. En dat kan nog wel eens botsen.” (zie kader)

DeWit begrijpt dat het voor sommige scholen best eng is om hele uitgesproken uitspraken te doen over hun opvoedingsprincipes omdat ze daarmee het risico lopen om mensen af te stoten. Toch vindt hij dat je je niet moet laten leiden door die angst. “Het is juist goed om je op dit gebied actief op te stellen in plaats van – zoals je nu vaak ziet- een beetje te blijven hangen in ‘vlees noch vis’ uitspraken. Helderheid komt je school uiteindelijk veel meer ten goede.”

 

Deze en meer gedachten heeft De Wit verwoord in een plan dat moet leiden tot ‘pedagogisch partnerschap’ zoals hij het noemt. In dit plan pleit hij ervoor dat zowel school als ouders flink investeren in de relatie met elkaar. Dat komt er in de eerste plaats op neer dat ouders en scholen veel duidelijker gaan afspreken wie waar verantwoordelijk voor is. “Wat je nu ziet”, zegt de Wit, “is dat ouders zich heel verschillend opstellen in hun rol als ouder omdat scholen niet goed duidelijk maken wat er van hen wordt verwacht. Ik maak zelf altijd onderscheid tussen verschillende typen ouders. Zo heb je ouders die de school eigenlijk zien als een dagarrangement voor de kinderen en die je verder nauwelijks hoort of ziet. Ouders die zich opstellen als  passieve consumenten – ze willen best meehelpen als hen iets gevraagd wordt maar zullen geen initiatieven nemen. Ouders die zich opstellen als kritische consumenten en zich graag tegen van alles aan bemoeien. En tot slotte de ouders die zich als partner willen opstellen. Al die verschillende ouderrollen  kunnen leiden tot allerlei wrijving, zeker als de school zelf ouders het liefst allemaal als partner zou willen hebben.”

Is het eenmaal duidelijk wat de school van de ouders verwacht, dan is het volgens De Wit belangrijk dat er heel regelmatig contact is. En dan heeft hij het over meer dan het gebruikelijke tienminutengesprek. “Als je een goede relatie wilt opbouwen met de ouders is het heel erg belangrijk dat je met name in het begin flink tijd voor ze uittrekt. Leerkrachten gaan er ten onrechte vaak van uit dat alles wat er op school gebeurt heel vanzelfsprekend is. Maar de meeste ouders hebben geen idee van hoe het er tegenwoordig aan toe gaat op een basisschool. Dat moet je ze dus uitleggen, inclusief het pedagogische beleid. Wat dat laatste betreft denk ik aan zaken als: hoe kijkt de school aan tegen zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid van kinderen en hoe wordt dat vormgegeven?. Wordt er gewerkt met dag of weektaken? Wat zijn de omgangsvormen? Wordt er getutoyeerd? Wat zijn de basisregels van de school? Hoe wordt er omgegaan met pesten?”

Maar naast het scheppen van duidelijkheid moeten regelmatige voortgangsgesprekken met ouders er volgens De Wit ook toe leiden dat leerkracht en ouder tot een gemeenschappelijk perspectief komen over de mogelijkheden van een kind. Is dat eenmaal vastgesteld dan moet worden afgesproken wie welke bijdrage zal gaan leveren om die mogelijkheden te benutten. Met andere woorden, wat is de rol van de ouder en wat is de rol van de leerkracht? Is deze basis eenmaal gelegd dan is het belangrijk dat de relatie onderhouden wordt. En dat loopt wat De Wit betreft door tot aan een exitgesprek in groep acht.

 

De Wit geeft toe dat het pedagogisch partnerschap in theorie er eenvoudiger uitziet dan het in de praktijk is. “Het zal voor een groot aantal leerkrachten heel onwennig zijn om ouders als partners te benaderen. Dat zijn ze niet gewend. Bovendien vraagt het veel van hun communicatieve vaardigheden. Ze zullen heel duidelijk moeten maken wie waar verantwoordelijk voor is en grenzen durven stellen als een ouder zich niet aan de afspraken houdt. Die communicatie verdient veel meer aandacht, ook op de opleidingen Ik zie veel leerkrachten die opzien tegen gesprekken met ouders, met name de hoogopgeleide ouders, die hen verbaal nog wel eens de meerder zijn.”

De keerzijde van het verhaal is dat ouders die normaal gesproken de school alleen maar zagen als een soort bewaarplaats van hun kinderen, zich ook actiever zullen moeten gaan opstellen.

 

Dat kan volgens schooldirecteur Christiaanse nog best lastig worden. “Ik vind het vaak bedroevend hoe weinig ouders er komen opdraven bij een bijeenkomst met een bepaald opvoedkundig thema.” Hij pleit er daarom voor om nog een stapje verder te gaan dan het door De Wit beschreven pedagogisch partnerschap: hij heeft onlangs voorgesteld om een verplichte opvoedcursus voor ouders in te stellen. “Als je het te vrijblijvend maakt komen mensen niet. En zeker niet de ouders die je graag wilt bereiken. En zoals ik al zei, als we niets doen gaat dat echt ten koste van het onderwijs, sterker nog misschien wel van de samenleving.” Of hij niet bang is dat dit wel heel betuttelend gaat overkomen bij ouders? “Dat hangt helemaal af van hoe je het brengt. Ten eerst willen we het meeteen aanbieden als de nieuwe vierjarigen op school komen. Het wordt daarmee een vanzelfsprekend iets. Bovendien moet je niet vergeten dat heel veel ouders soms echt met hun handen in het haar zitten als het om de opvoeding gaat. Ik krijg wel eens kinderen op school waarvan de ouders zeggen ‘ik ben blij dat ie eindelijk naar school kan, hier thuis is hij niet te houden. Die weten niet dat zo’n kind gewoon veel meer structuur nodig heeft. Want vaak blijkt na een paar weken school dat dat kind in de klas in ieder geval helemaal niet lastig meer is. Als je dat ouders kan leren dan denk ik alleen maar dat ze daar blij mee zijn. Wel pleit ik er voor dat de cursus – met onderwerpen als ‘faalangst’, ‘kind en media’, ‘grenzen stellen’ etc – wordt gegeven door een onafhankelijke instelling en dat er ook altijd mensen van de school aanwezig zijn. Op die manier krijgen ouders het gevoel dat het opvoeden van de kinderen een gemeenschappelijke taak is van school en ouders. Het moet vooral niet opgevat worden als een verwijt aan de ouders.” Blijft het probleem dat veel ouders structureel kampen met een gebrek aan tijd. Maar volgens Christiaanse is dat gewoon een kwestie van keuzes maken: “Als je kinderen wilt, zul je daar in moeten investeren. Als je wilt autorijden moet je ook heel veel lessen nemen. Veel meer dan die vijftien opvoedlessen waar ik voor pleit.”

 

De bijna gepensioneerde onderwijzeres  Stam denkt dat je er met een verplichte opvoedcursus nog lang niet bent. “Het grote probleem is dat we in een maatschappij terecht dreigen te komen waar eigenlijk nog maar heel weinig plaats is voor kinderen. Je moet als ouders wel allebei werken om financieel het hoofd boven water te kunnen houden. Probeer maar eens een huis te kopen voor een gezin, dat lukt bijna niet op één salaris. En dus moeten kinderen veel naar de crèche en de naschoolse kinderopvang. Ik denk dat kinderen daar onrustig van worden. Bovendien geeft het ze niet bepaald het gevoel dat ze er mogen zijn. Terwijl dat juist iets is waar kinderen uiteindelijk gelukkige mensen van worden. Nee, wat dat betreft benijd ik de huidige generatie ouders niet.

Deel dit artikel

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Ook interessant voor u