Puberbrein in beweging

JM november 2006

Enige tijd geleden stelde D66-lijstrekker Pechtold voor kinderen van 16 jaar kiesgerechtigd te maken. Een goed plan? De Maastrichtse hoogleraar Neuropsychologie en Psychobiologie Jelle Jolles vindt van niet. Hun brein is op die leeftijd namelijk nog niet in staat om de consequenties van hun keuze te overzien.

Hoe zit het precies met het puberbrein?

Tot voor enkele jaren geleden ging de wetenschap er van uit dat het brein volgroeid was op twaalfjarige leeftijd. Inmiddels is onder andere met behulp van MRI-scans aangetoond dat de ontwikkeling van de hersenen doorloopt tot na het 20ste levensjaar. In de vroege en late puberteit vinden de grootste veranderingen plaats, vooral in de voorste hersendelen, de zogenaamde prefrontale cortex. Dit gebied heeft alles te maken met de zogenaamde plannings- en controlefuncties. In de praktijk komt het er op neer dat iemand met een volledig ontwikkelde prefrontale cortex in staat is om:

  •  prioriteiten  te stellen
  • bepaalde  doelen te halen door zelf initiatieven te nemen
  • de   gevolgen te overzien van het eigen handelen en daarmee dus ook de mogelijkheid om zich voor te kunnen stellen wat zijn gedrag voor een gevolgen heeft voor een ander of voor de maatschappij
  • impulsieve   neigingen te onderdrukken
  • emoties in bedwang te houden
  • keuzes      te kunnen maken op grond van rationele, sociale en emotionele criteria
  • te      anticiperen op acties van anderen, zowel op korte als op lange termijn

Om ergens tussen de 20 en de 25 jaar in dit ideale stadium aan te komen, doorloopt het puberbrein drie fasen.

De eerste fase, de zogenaamde vroege adolescentie, loopt van ongeveer 10 tot 15 jaar – begin en eindtijd verschilt per kind. In deze fase worden kinderen beïnvloed door hormonen én door het proces van de hersenrijping. Ze zijn door dit hele proces verhoogd emotioneel en reageren gevoeliger op allerlei zaken. Tegelijkertijd zijn ze in dit stadium erg gericht op het bevredigen van hun directe behoefte. Ze zoeken een smaaksensatie, een emotionele sensatie, een lichamelijk sensatie en ze willen het het liefst hier en nu beleven. Zin in een chocola betekent: nu een Mars kopen!

In de tweede fase, de zogenaamde middel-adolescentie die loopt van ongeveer 14 tot 16 jaar, zijn pubers geneigd om veel risico’s te nemen. Met andere woorden, ze willen graag dingen doen die hen een gevoel van sensatie geeft en letten daarbij niet op de consequenties van hun gedrag. Jelle Jolles geeft het voorbeeld van een onervaren vijftienjarige jongen die met zijn snowboard langs de rand van een zwarte piste glijdt. Hij ziet in tegenstelling tot zijn moeder die onder aan de helling staat, geen enkel gevaar. De hele situatie roept geen angstbeelden bij hem op, gewoon omdat hij de consequenties van een mogelijk ongeluk niet kan overzien. Sterker nog, hij bedenkt niet eens dat de kans groot is dat er een ongeluk gebeurt. En als hij zich dat toevallig toch realiseert, dan blijft dat een ‘plat’ beeld. Het voorgestelde ongeluk roept helemaal geen emoties bij hem op.

Aan het eind van de tweede fase, kent de adolescent in principe alle kunstjes van het gedrag, maar kan hij ze nog niet goed gebruiken op hetzelfde moment. Dat komt pas  in de derde fase, de zogenaamde late adolescentie, die loopt van 16 tot ongeveer 22 jaar. Het zogenaamde integratieproces dat nu plaatsvindt zorgt er uiteindelijk voor dat mensen complexer gedrag kunnen gaan vertonen. De adolescenten leren geleidelijk aan meer rekening te houden met de sociale en emotionele gevolgen van hun gedrag maar ook met de lange termijn effecten. Deze hele ontwikkeling gaat gepaard met een verfijning van de organisatie in het brein. Dat heeft uiteindelijk tot gevolg dat de jong volwassene steeds meer grip krijgt op zijn eigen doen en laten en in staat is weloverwogen keuzes te maken, zichzelf te evalueren en zonodig zijn gedrag aan te passen aan de geldende sociale norm. Zo zal een jong-volwassene wiens prefrontale cortex al tamelijk ver ontwikkeld is, beter weerstand kunnen bieden aan de sociale druk om iets te doen waar het eigenlijk niet helemaal achter staat, dan een puber.

Dit werd op een mooie manier duidelijk gemaakt door de onderzoekers Gardner en Steinberg. In een experiment lieten zij drie verschillende groepen een computerspelletje spelen waarbij zij moesten doen alsof ze aan het autorijden waren. De eerste groep bestond uit adolescenten tussen de 13 en de 16, de tweede groep uit ‘jeugdigen’ tussen de 18  en 22 jaar en de derde groep uit volwassenen van ouder dan 24. Halverwege het spel kwam er een vriend of vriendin over de schouder meekijken. Opvallend was dat alle drie de groepen even goed ‘reden’ als ze alleen waren, maar dat met name de adolescenten tussen 13 en 16 véél roekelozer werden als hun vriend of vriendin met ze mee keek. De jeugdigen hadden minder last van dit effect – zij werden hooguit iets roekelozer- en de volwassenen veranderden hun gedrag helemaal niet.

Voor een ander voorbeeld van het nog niet volledig ontwikkelde puberbrein wijst Jolles op de soms nogal onverschillige en botte manier waarop pubers omgaan met seksuele gevoelens van hun leeftijdgenoten. Hij haalt een filmpje aan dat werd gemaakt door ‘Mijn-Kind- Online’- hoofdredacteur Justine Pardoen en Remco Pijpers. Op dat filmpje vertelt een dertienjarig meisje hoe zij via de MSN, onder dreiging van geweld van jongens die ze redelijk goed kende, werd gedwongen om zich voor de ‘webcam’ uit te kleden. Haar blootfoto’s werden vervolgens verspreid onder vrienden en binnen de kortste keren had het hele dorp ze gezien. Jolles: “Die jongens die dat doen zien seks vooral als spel. Die zijn niet in staat gebleken zich in te leven in wat dit voor een verstrekkende gevolgen heeft voor dit meisje. Bij hun is, misschien onder druk van hun vrienden, seks en gevoel nog volledig van elkaar losgekoppeld.”

Als dit gedrag te maken heeft met nog niet volgroeide hersens, betekent dat dan dat er niets aan te doen is? Nee. Uit hersenonderzoek bij een-eiigetweelingen blijkt dat dit soort tweelingen  ondanks hun identieke genenpakket, toch verschillende hersenstructuren hebben. En die verschillen zie je vooral in de gebieden die in de puberteit verder tot ontwikkeling komen, zoals de prefrontale schors. Daaruit kun je concluderen dat omgevingsfactoren een belangrijke rol spelen bij het tot ontwikkeling komen van de hersenen. Sterker nog: zonder de juiste omgeving, vindt er geen optimale groei plaats in het brein.

Hoe ziet zo’n goede omgeving er dan uit?   Jolles: “Ik denk dat ouders en leerkrachten vaker aan pubers zouden moeten uitleggen wat het gevolg is van hun gedrag. Die jongens die dat meisje dwongen zich uit te kleden voor de webcam moet je bijvoorbeeld leren dat seks niet alleen een spel is, maar ook alles met gevoel te maken heeft. Dit soort attitudes moeten thuis en op school voortdurend ter sprake komen Ander voorbeeld: Als je als moeder van een veertienjarige dochter merkt dat ze haar voormalige hartsvriendin niet wil uitnodigen op haar verjaardag, trek dan niet je schouders op. Leg uit dat dit nogal hard kan aankomen bij die vriendin. Laat haar een voorstelling maken van het gevoel dat ze zelf zou hebben in zo’n situatie. Het zal er misschien niet meteen toe leiden dat ze haar ex-vriendin zal uitnodigen, maar het feit dat ze zich meer heeft ingeleefd in de ander, helpt haar om een verantwoorde keuze te maken. Hierdoor zal haar brein zich verder ontwikkelen met als gevolg dat zij in de toekomst makkelijker een weloverwogen beslissing kan nemen.”

Jolles vindt ook dat scholen meer rekening zouden moeten houden met het puberbrein. Zo vindt hij dat je op zijn minst vraagtekens kunt zetten bij het studiehuis dat van kinderen veel vraagt op het gebied van plannen en organiseren. Relatief simpele vormen van planning zijn volgens hem al mogelijk als kinderen op de lagere school zitten. Maar de complexere vorm van plannen – anticiperen, plannen voor de langere termijn – die nodig is voor het studiehuis, dat zijn uitgerekend vaardigheden die pas helemaal aan het einde van de hersenontwikkeling gaan rijpen. Datzelfde geldt voor het vermogen om de consequenties van bepaalde beslissingen te overzien. Maar ondertussen moeten adolescenten wel zeer cruciale beslissingen nemen over het studieprofiel dat ze willen gaan volgen Een goede begeleiding waarin pubers wordt gewezen op de consequenties van hun keuze is dan op zijn minst noodzakelijk. Jolles maakt zich om die reden zorgen over de ontwikkeling binnen het onderwijs die er toe leidt dat de leraar steeds meer verwordt tot een soort conciërge die alleen nog maar toezicht houdt. Want los van de begeleidende en motiverende rol die een leraar zou moeten spelen bij het nemen van cruciale beslissingen, zijn pubers volgens hem ook zeer gebaat bij een leraar die hen weet te inspireren. Die iets bij hen raakt. Die de stof als het even kan laat aansluiten bij datgene wat ze op die leeftijd heel interessant vinden: de liefde, de omgangsvormen tussen verschillende seksen, humor, sensatie, dat soort zaken. Als het de emoties maar beroert.

Een verhaal apart is het slaappatroon van pubers. Naarmate de puberteit vordert, zorgt het brein ervoor dat het mechanisme dat ons slapen en waken regelt, anders gaat werken. Zo wordt melatonine, een hormoon dat simpel gezegd er voor moet zorgen dat we slaperig worden, later afgescheiden. Een puber wordt dus later moe. Desalniettemin heeft het veel slaap nodig om alle prikkels van de vorige dag te kunnen verwerken. En veel betekent méér dan acht uur.  Idealiter zouden scholen hun lesrooster moeten aanpassen aan dit verschuivende patroon. Want een adolescent die om elf uur naar bed gaat zit waarschijnlijk niet echt fit in de schoolbanken om half negen. Is de begintijd niet aan te passen dan zouden scholen volgens Jolles in ieder geval moeten proberen om belangrijke activiteiten waar veel aandacht voor nodig is – nieuwe stof, proefwerken en examens, bijvoorbeeld –  wat later in te roosteren. Dan zijn de hersens beter in vorm.

Ouders zouden de slaap van hun pubers kunnen bevorderen door ze aan te moedigen om hun brein een uur voor het slapen gaan tot rust te laten komen. Dat betekent: een uur – en liefst twee uur –  voor het slapen geen geestelijke inspanningen verrichten die het brein sterk activeren. Geen interactieve computerspelletjes voor het slapengaan dus!

Tot slot wijst Jolles er nog op dat ieder brein zich op zijn eigen tempo ontwikkelt. Hij laat een foto zien van drie verschillende veertienjarige meisjes die nog geen vier weken in leeftijd verschillen. De eerste is klein en nog zo plat als een dubbeltje, de derde is groot en al een echte vrouw en de tweede zit er tussenin. Jolles: “We weten dat ze uiteindelijk alledrie even volwassen zullen zijn. Hetzelfde geldt eigenlijk voor het brein. Daaruit kun je concluderen dat je niet altijd hoeft in te grijpen als je zoon of dochter even niet op de gemiddelde koers zit. In veel gevallen is het gewoon een kwestie van rijping van het brein. Er zijn nou eenmaal heel veel verschillende cognitieve functies. Als een kind in een bepaalde functie wat achter is, kan het best zijn dat hij of zij in een andere functie juist weer wat beter is. Je moet het dan ook niet zo snel afrekenen op het feit dat het wat achterloopt. Je kunt het beter voorzichtig stimuleren. Maar meestal is het gewoon een kwestie van afwachten, en vertrouwen hebben dat het goed komt.”

Deel dit artikel

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Ook interessant voor u