Hersens met honger

JM oktober 2006

 

Kijk naar een willekeurige reclame voor chocoladerepen, koekjes, snoepjes, chips of hamburgers en je krijgt dezelfde boodschap: het fantastische en heerlijke product levert kinderen alle energie die nodig is om eindeloos te skaten, hutten te bouwen, of te voetballen. Dat de voedingsindustrie er voor kiest om kinderen en hun ouders op deze manier te benaderen, heeft natuurlijk alles te maken met het feit dat kinderen steeds dikker worden. In plaats van te erkennen dat dit misschien wel eens te maken zou kunnen hebben met de schaamteloze promotie van hun eigen ‘energierijke’ artikelen, gaan ze in de tegenaanval: kinderen bewegen te weinig. De boodschap die nu dan ook wordt uitgestraald is: het maakt niet uit wát er in gaat, als die calorieën maar verbrand worden. En daarmee zijn alle partijen die zich opwinden over al die dikke kinderen en de gezondheidsrisico’s die zij lopen, weer enigszins gesust gesteld.

Door het focussen op te veel calorieën lopen we het risico om te vergeten dat mensen – en zeker kinderen in de groei – niet alleen ‘energie’ nodig hebben maar ook een heleboel subtiele bouwstoffen die je alleen in de juiste hoeveelheid binnenkrijgt als je heel gevarieerd eet. Wat het belang is van die bouwstoffen werd aan alle kanten duidelijk op een middelbare school voor moeilijk opvoedbare kinderen in de Amerikaanse plaats Appleton (Wisconsin). In 2003 besloot de school het kantineaanbod radicaal te veranderen. De automaten met frisdrank en snacks werden vervangen door waterkoelers en de hamburgers en friet werden vervangen door volkorenbrood, een saladebar en verse groenten en vruchten. Gevolg: de sfeer op school veranderde totaal. Kinderen letten beter op, werden minder vaak de klas uit gestuurd en werkten een stuk geconcentreerder. Daarnaast klaagden ze minder over hoofdpijn, buikpijn en vermoeidheid. De verandering was zo sterk, dat de politieagent die tot dan toe absoluut nodig was om te voorkomen dat hoogoplopende ruzies uit de hand liepen – messen, pistolen etc. – kon worden ontslagen.

Ze zijn wat ze eten

Opmerkelijk? Dr. Alex Richardson, onderzoeker aan de universiteit van Oxford en auteur van het boek ‘They are what you feed them’ – ze zijn wat je ze te eten geeft – vindt van niet . Want volgens Richardson heeft niet alleen de lichamelijke maar ook de geestelijke gezondheid van kinderen – en volwassenen – alles te maken met wat ze eten. De verklaring is eigenlijk heel eenvoudig: de hersenen zijn net als bijvoorbeeld de longen en de lever, ook een orgaan. En dit orgaan functioneert pas optimaal als het goed ‘gevoed’ wordt.

Voor de langste tijd werden mensen die ook maar suggereerden dat voeding en gedrag iets met elkaar te maken zouden kunnen hebben, afgedaan als een treurig stelletje kwakzalvers, hippies of geitenwollensokkenridders. Maar na een onderzoek van de aan de universiteit van Oxford verbonden Bernard Gesch kunnen wetenschappers er niet meer omheen. In een gevangenis in het Engelse Buckinghamshire Gesch toonde aan dat gevangen die de juiste vitaminen, mineralen en essentiële vetzuren binnenkrijgen, veel minder agressief zijn dan daarvoor. Preciezer gezegd: bij de gevangen die een voedingsupplement kregen waar alle waardevolle bouwstoffen inzaten, daalde het aantal gewone overtredingen met 27% en het aantal gewelddadige overtredingen met 37%. Deze verandering was niet zichtbaar bij de groep gedetineerden die, zonder dat zelf te weten, een neppil hadden gekregen.

Het Nederlandse Ministerie van Justitie vindt deze resultaten zo interessant dat het nu bezig is met een herhaling van het experiment in Nederland.

Terug naar de kinderen. Hoe kun je er als ouder voor zorgen dat hun hersenen goed gevoed worden? Richardson wijst daarvoor op drie zaken:

  1. Zorg      voor de juiste bouwstoffen
  2. Zorg      dat de darmen van een kind de kans krijgen om die bouwstoffen op te nemen
  3. Zorg      dat een kind zo min mogelijk ‘nare stofjes’ binnenkrijgt zoals geur-,      kleur- en smaakstoffen, artificiële zoetmiddelen en zogenaamde      ‘transvetten’.

De juiste bouwstoffen

Gesprekken met diëtisten, het Voedingscentrum en een klein onderzoek van de Hartstichting wekken sterk de indruk dat kinderen de voorgeschreven 150 gram groente en 200 gram ( 2 stuks) fruit bij lange na niet binnen krijgen. Opmerkingen variëren van ‘kinderen eten gemiddeld twee keer per week fruit en drie keer per week groente’ tot ‘vaak beperkt de groente zich tot dat kleine beetje tomatensaus in de pasta of die ene theelepel die ze moeten proeven.’ Dat is heel erg zonde vindt Richardson. Want groente is zoveel meer dan alleen het bekende vitamine C. Natuurlijk is vitamine C ontzettend belangrijk, maar groente en fruit bevatten ook veel andere belangrijke stoffen zoals bijvoorbeeld vitamine B, een heleboel mineralen en zogenaamde bioflavanoïden. Al deze bouwstoffen werken op een hele subtiele manier samen. Heb je een tekort van het ene stofje, dan hindert dat de werking van het andere stofje. Richardson wijst erop dat bepaalde tekorten kunnen leiden tot concentratiestoornissen, agressie, irritatie, angst en depressies. Dat is niets om zenuwachtig van te worden: je hoeft geen voedingsdeskundige te zijn om de juiste hoeveelheden in de juiste verhouding binnen te krijgen. Natuurlijke producten zoals groente fruit, vlees, vis en zuivel, bevatten bijna alle bouwstoffen die kinderen nodig hebben en leveren het bijna automatisch in de juiste verhouding. Maar wil je dat ze alles binnenkrijgen, dan is het wel zaak om flink te variëren. En dat is nou precies iets waar we ons als ouders misschien wél zenuwachtig over zouden moeten maken. We variëren niet genoeg – en dat geldt vaak ook voor degene die wel die voorgeschreven porties fruit en groente naar binnen weet te krijgen bij zijn kinderen. Tijd om in actie te komen!

Om optimaal te kunnen profiteren van alle goede gaven uit de natuur zouden we meer moeten kijken naar ons oorspronkelijke voedsel. Dat betekent dat we veel meer noten (paranoten!) zaden, gedroogde zuidvruchten – dadels, vijgen, abrikozen – en vruchten met schil en al zouden moeten eten. Vaak zitten die vol mineralen en nuttige oliën die een goede hersenwerking ondersteunen. Ook kunnen zij helpen bij het opruimen van allerlei giftige stoffen die we met de bestaande milieuvervuiling nou eenmaal binnenkrijgen.

Wat we verder moeten doen is meer variëren met fruit en groente. Dus niet zeven dagen per week wortel eten omdat dat de enige groente is die zoon of dochterlief lekker vindt, maar nieuwe groente blijven aanbieden omdat die nou eenmaal andere nuttige stoffen bevatten waar de hersenen – en andere organen – niet zonder kunnen.

Ook een echte aanrader is vis. Liefst vette vis en op zijn minst twee keer per week. Vis zit vol met de inmiddels aan alle kanten bejubelde Omega-3 vetzuren. Baby’s en jonge kinderen hebben deze vetzuren nodig voor de opbouw van hun hersenen en het zenuwstelsel. Oudere kinderen en volwassenen hebben het onder andere nodig voor het ‘onderhoud’ van de hersenen.. Steeds meer onderzoeken geven aanleiding om te denken dat kinderen met ADHD, Dyslexie, of een autistische stoornis veel baat kunnen hebben bij meer omega-3 vetzuren – al is het laatste woord daar nog lang niet over gezegd. Verder lijken kinderen die een dieet volgen dat rijk is aan Omega-3 vetzuren beter te presteren dan wanneer zij minder essentiële vetzuren binnenkrijgen. Zo bleek uit onderzoek op een Engelse basisschool in Durham dat kinderen die visoliesupplementen aangeboden kregen beter presteerden met spellen en lezen, en daarnaast rustiger waren en beter geconcentreerd. De resultaten van het onderzoek waren zo opvallend dat ze vorig jaar werden gepubliceerd in het Amerikaanse tijdschrift voor kinderartsen ‘Pediatrics’.

Hoewel Omega-3 vetzuren ook voorkomen in noten, groene groente en zaden – met name lijnzaad en lijnzaadolie –, blijken ze het best opgenomen te kunnen worden uit vis. En dit geldt met name voor jongens en mannen, zegt Richardson. Kinderen die echt een hekel hebben aan vis zouden eventueel een capsule met visolie kunnen slikken, maar het is wel belangrijk altijd kritisch te blijven kijken naar de samenstelling en de dosering van de capsules. Johanna Assies, een internist en endocrinoloog die verbonden is aan het AMC in Amsterdam, maakt zich bijvoorbeeld zorgen over het ongecontroleerde gebruik ervan met het risico dat een kind te veel visolie binnenkrijgt. En een teveel schaadt het lichaam volgens haar wel degelijk. Gert Schuitemaker is farmaceut, doctor in de Geneeskunde en directeur van het Orthoinstituut, een instituut dat zich inzet voor de orthomleculaire geneeskunde in Nederland. Dit laatste betekent dat hij zich bezighoudt met de vraag in hoeverre voeding en voedingsstoffen in optimale dosering mensen kunnen helpen om zich beter te voelen, voordat medicijnen of andere medische behandelingen worden ingezet. Schuitemaker begrijpt dat mevrouw Assies zich zorgen maakt over een teveel aan omega-3 vetzuren die in een capsule worden aangeboden. “Natuurlijk” zegt hij, “te veel is niet goed. Maar eerlijk gezegd maak ik me veel meer zorgen over het tekort dat kinderen binnenkrijgen dan om het te veel. En die schadelijke effecten waar Johanna Assies het over heeft, kun je te niet doen door er vitamine E bij te slikken. Vaak zit dit al samen in een capsule. Het is wel zaak daarop te letten.” . Schuitemaker is het verder met het advies van onderzoeker Alex Richardson eens dat áls je besluit om een capsule te geven, je een niet al te hoge dosering moet geven: 1 gram per dag ( voor volwassenen is de grens 3 gram). Voor hogere doseringen adviseren zij allebei om eerst een voedingsdeskundige of een (orthomoleculair) arts te raadplegen die meer verstand heeft van omega-3 vetzuren en kinderen.

Spijsvertering

Meestal gaan goede voeding en een goede spijsvertering hand in hand. Maar er zitten een paar adders onder het gras. Eet een kind bijvoorbeeld goed maar eet het daarnaast veel suiker, dan kan dat er toe leiden dat een aantal essentiële bouwstoffen weer wordt afgebroken.

Verder is het volgens Richardson zo, dat er goede en slechte bacteriën in de darmen zitten. Slechte bacteriën worden gevoed door suiker, koeken, snacks en andere geraffineerde producten. Krijgen de slechte bacteriën de overhand dan zullen de darmen hun werk minder goed doen. Dat betekent dat zij de nuttige bouwstoffen minder goed opnemen maar op den duur ook allerlei stoffen het lichaam gaan binnenlaten die er niet thuis horen. Kinderen kunnen dan moe worden maar ook suffig en ongeconcentreerd.

Om te weten of kinderen een goede spijsvertering hebben, raadt Richardson ouders aan om kinderen te leren naar hun eigen poep te kijken. Zitten er onverteerde stukken eten in de poep? Is het stevige poep of niet? En, ook belangrijk, wordt er iedere dag gepoept? Zo nee, dan betekent dat hoogstwaarschijnlijk dat een kind te weinig vezels binnenkrijgt of te weinig drinkt.

Naast voedingstips geeft Richardson nog vier andere tips die de spijsvertering kunnen bevorderen:

  • neem      de tijd voor het eten,
  • geef      porties die niet groter zijn dan wat een kind zelf losjes in de hand zou      kunnen houden,
  • kauw      goed en lang,
  • drink      geen water tijdens het eten.

Rust draagt bij aan een goede werking van de maag, goed kauwen zorgt er voor dat eten voor een deel wordt voorverteerd in de mond, een overzichtelijke portie zorgt er voor dat de maag en de darmen de ruimte hebben om het eten te verteren en voorkomt dat een deel van het eten gaat rotten, en geen water drinken zorgt er voor dat het maagsap niet wordt verdund en dus optimaal zijn werk kan doen.

 Nare stofjes

Enkele jaren geleden besloot een aantal landen, waaronder Denemarken en Noorwegen, bepaalde geur-, kleur- en smaakstoffen te verbieden. Dit had onder andere te maken met verontrustende uitkomsten van verschillende onderzoeken naar het effect van die stoffen op het gedrag van kinderen. Een van die onderzoeken werd door de Engelse overheid gedaan op het Isle of Wight. Dit onderzoek lijkt aan te tonen dat de combinatie van een aantal geur-, kleur- en smaakstoffen, de zogenaamde E-nummers, er voor zorgt dat nog jonge zenuwcellen geremd worden in hun groei . Daarnaast zouden deze stofjes druk gedrag kunnen veroorzaken. In het onderzoek werd ook de zoetstof Aspartaam betrokken. De onderzoekers van het Isle of Wight-onderzoek schatten dat als deze stoffen uit snoep en frisdranken zouden worden gehaald, niet 1 op de 6 maar slechts 1 op de 17 kinderen als ‘hyperactief’ bestempeld zou worden. Nederland vindt de uitkomsten nog niet hard genoeg en verbiedt de omstreden E-nummers niet. Het Voedingscentrum denkt dat er misschien wel kinderen zijn die niet tegen bepaalde stoffen kunnen, maar gelooft niet dat dit voor iedereen geldt. Verder wijst het erop dat de E-nummers altijd vermeld moeten staan op de verpakking en iedereen zelf moet beslissen of hij of zij zijn kind daaraan wil blootstellen.

Een andere kwaadaardige stof waar kinderen vaak teveel van binnen krijgen, zijn de zogenaamde transvetten. Transvetten zijn bewerkte vloeibare vetten die worden ingezet voor het maken van allerlei koekjes en zoutjes en bij de bereiding van sommige margarines. Tranvetten worden niet alleen in verband gebracht met hart- en vaatziekten maar zouden ook kunnen zorgen voor een verandering van de flexibiliteit van de celmembranen, de doorlaatbare vliesjes rond de cellen. Deze verandering vindt ook plaats in de hersencellen en is daarmee van invloed op gedrag. Het Voedingscentrum erkent dat transvetten in het algemeen niet zo goed voor je zijn en adviseert voedingsproducenten – waaronder makers van margarine – om niet meer dan 1% van hun producten uit transvetten te laten bestaan. Dit is echter geen verplichting. In New-York neemt men transvettenkwestie een stuk serieuzer. Daar zijn sinds kort alle restaurants verplicht hun ongezonde margarines en oliën te verruilen voor producten zonder transvetten. Helaas staat er vaak niet duidelijk op een verpakking of er transvetten zijn gebruikt. Beperk om die reden de hoeveelheid koekjes en zoutjes of zoek naar gezondere alternatieven, bijvoorbeeld in een natuurvoedingswinkel. Zelf koekjes bakken met roomboter kan natuurlijk ook.

Zoals gezegd is niet iedereen het er over eens of bovengenoemde stoffen echt effect hebben op gedrag van kinderen. Richardson is de eerste om toe te geven dat er nog veel meer onderzoek gedaan moet worden naar de relatie tussen voeding en gedrag om vragen over hele specifieke gedragsproblemen te kunnen beantwoorden. Maar dat wil volgens haar niet zeggen dat je met de informatie die wij nu tot onze beschikking hebben niets moet doen.

Gert Schuitemaker, van het Ortoinstituut wijst op het belang van de ‘body of evidence’. Dat betekent dat een bepaalde theorie weliswaar niet 100% bewezen is maar dat er wél heel veel reden is om de theorie te geloven. Is die ‘body of evidence’ er wel maar ga je pas tot actie over als er meer harde resultaten zijn, dan mis je volgen hem een heleboel voordelen. Hij geeft een voorbeeld: “Al in de jaren ’60 was er een onderzoek bekend dat het grote belang van foliumzuur aantoonde voor zwangere vrouwen. Vrouwen die het slikten bleken een veel lagere kans te hebben op het krijgen van een kind met een open ruggetje. Toch heeft het tot 1995 geduurd totdat aan vrouwen werd geadviseerd om deze vitamine te gaan slikken voor en tijdens de zwangerschap. Was dat advies eerder opgevolgd, dan had dat veel ouders een hoop leed kunnen besparen.”

Zouden we ook 30 jaar moeten wachten voordat nu al omstreden E-nummers en transvetten eindelijk op de officiële zwarte lijst komen? Moeten we niet veel voorzichtiger zijn?

Deel dit artikel

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Ook interessant voor u