De geheimen van het Belgische onderwijs

JM februari 2008

‘In Nederland is veel te zien maar weinig te leren’

Rachel (12) moest wel even wennen toen ze in groep zeven de overstap naar de Vrije Lagere School Kruisheren Ursulinen in het Belgische Maaseik maakte. ‘Het zijn niet alleen de woorden die anders zijn  – ze zeggen bijvoorbeeld  ‘frigo’ voor ijskast en spreken elkaar aan met ‘u’ en ‘gij’ – maar ze zijn hier ook strenger. Je moet hier bijvoorbeeld op volgorde staan in de rij en je mag niet praten, ook niet in de klas. Al met al vond ik het in Nederland iets leuker, maar je leert hier meer.’ De meiden die om Rachel heen staan beginnen nu allemaal door elkaar heen te praten over dingen die ze gehoord hebben over Nederland en over de strengheid van de Belgische scholen: ‘In Nederland kun je midden in de klas op de tafel gaan staan en propjes gooien. Niemand die er iets van zegt!!!’ ‘In België leer je echt véél beter rekenen.’  ‘Hollandse kinderen zijn brutaler maar wel altijd opgewekt.’ ‘Ze zijn hier in België zo streng, toen ik een keer met een kort rokje en spaghettibandjes op school kwam werd ik daar op aangesproken en moest ik de hele dag in mijn ‘turngerief’ lopen!’

Streng of niet, bijna iedereen –  leerlingen, leerkrachten en ouders – is er van overtuigd dat je op een Belgische school beter af bent. Moeder Esther Schuurmans ook. ‘Mijn jongste dochter kon in groep 5 en 6 in Nederland niet goed meekomen. Het enige wat de school toen kon bieden was tien minuten remedial teaching per week. Maar daar red je het natuurlijk niet mee!.’ Schuurmans dochter bleek naast leerproblemen ook geen aansluiting te hebben met de kinderen in de klas.  Ze wilde op een gegeven moment niet meer overblijven omdat een groep klasgenoten steeds commentaar hadden op haar kleren. Verder werd ze voortdurend uitgesloten. ‘Ik ben toen gaan praten op school maar de enige reactie van de leerkracht  was “je kunt kinderen niet dwingen”. In België is dat heel anders. Daar worden de kinderen meteen bij elkaar gepakt als er zoiets gebeurt. Er zijn ook veel explicietere regels over wat wel en niet mag. En als die regels worden overtreden wordt er ook meteen opgetreden.’ En hoe zit het met de begeleiding als je niet goed meekomt? ‘Dan wordt je bijgespijkerd. Dat doen ze dan bijvoorbeeld als de andere kinderen handvaardigheid hebben. Of ze zetten je naast een hele goede leerling die dan kan helpen. De leraren zijn hier anders. Het is net alsof ze meer voor je open staan. Je krijgt het gevoel dat ze echt moeite doen voor je kind. Je hebt ook steeds maar met één leraar te maken. Bijna niemand werkt parttime. Dat is voor zowel de ouders als de kinderen heel prettig. Alles gaat er op dezelfde manier aan toe. En ze leren ook echt veel. Mijn jongste dochter was op de lagere school verder met wiskunde dan mijn oudste dochter aan het eind van de mavo. En ze spreekt heel behoorlijk Frans. Een stuk beter dan de Nederlandse kinderen Engels spreken aan het eind van groep 8.’.  En is die strengheid niet vervelend? ‘Helmaal niet. Volgens mij varen alle kinderen er wel bij. Ik ben wel eens overblijfmoeder in Nederland geweest. Ik werd toen gek van dat lawaai en die kinderen werden er volgens mij ook helemaal hyper van. Als ze zich dan na de pauze schreeuwend naar binnen probeerden te proppen door die ene deur, duurde het heel lang voor ze weer allemaal rustig waren en aan het werk konden. In België begint die rust al vóór ze naar binnen gaan. Dan begin je dus een stuk geconcentreerder. Kortom, ik heb spijt dat ik mijn dochter niet veel eerder hier naar toe heb gestuurd. Sinds ze op een Belgische school zit, heb ik opeens een veel vrolijker kind.’

Directeur Ludwig Naert , – keurig in pak en al veertig jaar in het vak – kijkt niet op van deze opmerking van Esther Schuurmans. ‘Ik hoor van veel ouders dat hun kinderen een stuk rustiger zijn thuis. Dat heeft volgens mij ook te maken met het feit dat kinderen zich hier minder hoeven te onderscheiden. Er kwam hier laatst een Nederlands meisje met haar ouders om te praten over een overstap. Ze was heel erg geschminkt en er hing van alles in d’r haar. Ze leek wel een kerstboom. Nu ze hier op school zit mag dat niet meer en hoeft dat niet meer. Daardoor is ze meer op haar gemak. Samen met de structuur die wij haar bieden komt dat haar leerprestaties erg ten goede. Ze doet het boven verwachting goed.’

Het geheim van de Belgische scholen zit hem voor een groot deel dus in het consequent toepassen van de drie R-en – rust reinheid en regelmaat – zo lijkt het. Maar volgens directeur Naert en leerkracht Paul Palmaerts zit het hem ook nog in iets anders. Er wordt in België nog echt klassikaal les gegeven. De lesstof wordt op een manier aangeboden. Het wordt veel herhaald en er wordt geregeld gecontroleerd of het kind de lesstof kent en heeft begrepen. De eisen zijn hoog; de tafels moeten gekend worden en dat gaat met behulp van ouderwets stampwerk. Mocht een kind niet goed meekomen dan neemt de leerkracht de tijd om het kind bij te spijkeren. Daar heeft hij over het algemeen meer energie voor dan zijn Nederlandse collega. Dat komt omdat de Nederlandse leerkracht, in tegenstelling tot de Belgische, er constant voor moet zorgen dat alle kinderen de lesstof op hun eigen niveau aangeboden krijgen. Daarnaast wordt er van hem verwacht dat hij de klas blijft ‘entertainen’. Het moet altijd leuk zijn. ‘Het onderwijs is in Nederland heel individueel gericht’, zegt Naert. ‘Maar in de praktijk is dat bijna niet te doen, zeker niet in die grote klassen die jullie hebben. Dat leidt vaak tot een rumoerige toestand en een beperkte aandacht voor ieder kind. En dus krijg je een omgekeerde situatie; in veel gevallen is het individu beter af in België.’

Naert betreurt het dan ook dat in Vlaanderen steeds vaker wordt gezegd dat de Belgische scholen ook eens moeten kijken naar de Nederlandse onderwijsvormen. ‘Ik zeg wel eens: “er is in Nederland veel te zien maar weinig te leren” Er zijn in Nederland steeds meer scholen waar gewerkt wordt op basis van prachtige principes. Je hebt Jenaplanscholen, Montessorischolen, Freinetscholen etcetera. Deze scholen proberen de natuurlijke leerprocessen van kinderen te volgen. Dat is heel leuk en goed voor de slimme kinderen die er bijvoorbeeld spelenderwijs achter komen dat als je letterklanken met elkaar verbindt, je hele woorden kunt maken. Maar het gros van de kinderen ontdekt dat niet uit zichzelf. Die moeten hier veel meer in gestuurd worden. Dat vraagt om een systematische aanpak. Om die reden vind ik het Nederlandse onderwijs behoorlijk elitair. Daarbij komt dat als je van dit soort vrijere onderwijssystemen een succes wilt maken je niet alleen meer leerkrachten en minder leerlingen nodig hebt in de klas, maar dat je ook nog eens leerkrachten nodig hebben die echt op deze manier kunnen werken. De bedenkers van dergelijk onderwijssystemen waren vaak fenomenale mensen, maar doe dat maar eens na – ik kan het niet. Er is toch ook niemand die Van Gogh of Rembrandt na kan doen?’

Wat Naert verder stoort, is dat scholen in Vlaanderen, ook weer in navolging van Nederland, gestimuleerd worden om meer te experimenteren met verschillende didactische werkvormen. ‘We worden gevraagd om meer aan ‘contractwerk’ of ‘hoekenwerk’ te doen (samenwerken in groepjes) of om iets te doen aan ‘coöperatief  leren in een multiculturele omgeving’. Nou vind ik het op zich prima om van deze hulpmiddelen gebruik te maken als je daarmee kunt bereiken dat de kinderen de lesstof beter leren en begrijpen. Maar het moet niet zo zijn, wat nu het geval is, dat je de didactische werkvorm centraal stelt en niet de leerstof zelf.’

En daarmee trekt Naert, zonder het recente Nederlandse onderwijsrapport te kennen, dezelfde conclusie als de commissie Dijsselbloem: onderwijsvernieuwing is in veel gevallen een interessant speeltje, maar alleen de allerbeste leerlingen schieten er iets mee op.

KADER 1

Keihard is het oordeel van de commissie Dijsselbloem over de onderwijsvernieuwingen die vanaf begin jaren negentig zijn ingevoerd in Nederland. Zo heeft het onderwijs zich veel te veel met maatschappelijke problemen moeten bezighouden  -overgewicht, seksuele voorlichting, een maatschappelijke stage – met als gevolg dat de basisvakken rekenen en taal zijn verwaarloosd. Andere missers die in het rapport genoemd worden zijn de gedwongen fusies van kleine scholen tot gigantische scholengemeenschappen en het ontmoedigen van het stapelen van opleidingen – dus na de mavo naar de havo etc.  Maar de grootste misstap van de afgelopen twintig jaar is volgens Dijsselbloem “dat moeilijk lerende kinderen koste wat kost mee moesten in een schooltype dat voor hen niet geschikt was. Die problematiek is weggeduwd, dat paste ideologisch niet: iedereen was immers gelijk?”

Natuurlijk is het erg prettig dat dit allemaal een keer formeel is geconstateerd maar veel ouders wisten dit eigenlijk al. Voor een groeiend aantal van hen was dat een reden om – voor zover mogelijk –  hun heil in België te zoeken. Gingen er in 1997 nog 10.000 kinderen uit Nederlandse grensplaatsen naar een Belgische school, inmiddels is dat aantal verdubbeld naar rond de 20.000. Omgekeerd maken slechts iets meer dan 3000 Belgische kinderen gebruik van  een Nederlandse school.  Wat is het geheim van de Belgische scholen? Wat hebben zij dat wij niet hebben?

KADER 2

Zo’n tien procent van de kinderen op de Vrije Lagere School Kruisheren Ursulinen ( niet te verwarren met de Nederlandse antroposofische scholen) is Nederlands. Hun ouders kiezen om uiteenlopende redenen voor de school.

Op de eerste plaats zijn er kinderen die komen voor de sfeer.  ‘Kinderen die bij jullie misschien ‘softies’ genoemd worden’, zegt directeur Ludwig Naert. ‘Die verbaal gezien niet zo competitief zijn ingesteld’. Dan zijn er de kinderen die men in Nederlandse scholen eigenlijk niet wil hebben. Die zo lastig zijn dat de Dienst Leerling Begeleiding in Nederland tegen de ouders zegt ‘je doet er beter aan om zo’n kind naar een Belgische school te sturen’. En tot slot zijn er kinderen die – om welke reden dan ook – in Nederland niet de prestaties leveren die ze eigenlijk zouden kunnen leveren. De verwachting is dan dat een Belgische school er wel uit haalt wat er in zit. Dominique (11): ‘In Nederland zeggen ze als je het niet goed doet “ga nog maar eens goed kijken”. In België leggen ze het nog een keertje goed uit.’

KADER 3

Voor de deur van een soort noodgebouwtje staan ongeveer 80  kinderen twee aan twee in een rij te wachten tot  ze naar binnen mogen. Er wordt niet gepraat.  Onder toezicht van één overblijfhulp gaan ze in groepjes aan tafel zitten. Voor zich een broodtrommeltje, een flesje fris en een boek. Het lokaal is heel vol en je hoort een zacht geroezemoes. ‘’t Is nog niet stil’, zegt de juf. Als het daarna nog steeds niet helemaal stil is zegt directeur Ludwig Naert: ‘Mag ik jullie herinneren aan de afspraak?’. De kinderen houden nu allemaal hun mond. Als een van de kinderen toch nog een opmerking maakt kijkt Naert de jongen indringend aan: ‘nee, dat moet je niet doen’. De jongen zegt weer iets terug en Naert neemt hem mee naar de gang. ‘Ik vind het niet goed dat je zo te keer gaat. Je geeft commentaar en dat is niet gepast.’ De jongen wordt weggestuurd naar zijn klaslokaal.

Deel dit artikel

Eén reactie

  1. Wat voor onderzoek heeft Naert verricht? Daarom. Ik ben het niet eens hiermee. Wij denken er serieus over om onze kindjes juist hier weg te halen en ze in Nederland naar school te brengen. Ze kind laten zijn, emoties mogen laten hebben.. Afgebrand ja dat is aan de orde. De druk is zo hoog. Zodra je kind niet binnen de lijnen loopt dan faalt dit systeem. Extra begeleiding?? Ja, bakken met extra huiswerk dat de ouders mogen oplossen. Hoe nu verder? Zorg maar voor hele goede begeleiding want jij kan het als ouder vertellen daar op school. Ook hierin faalt het Nrlgische systeem gruwelijk!
    Kinderen die hierheen komen? Uhhm die kinderen die hier de eerste beste dag iedereen verrot slaan? Het zijn juist de kinderen die in Nederland van school gestuurd worden. Die worden hier niet opgevoed hoor.
    Ik vind de argumenten ondermaats en zeker niet onderbouwd!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Ook interessant voor u