De dood van een opa

JM oktober 2010

‘Het gaat heel slecht, het is nog een kwestie van uren’. Bastiaan is net vertrokken naar Frankrijk om zijn moeder te steunen. De heupoperatie van zijn vader is toch iets minder ongecompliceerd verlopen – althans, de nasleep ervan.  De SMS komt rauw op mijn dak – er was toch alleen sprake van een maagbloeding? In het donker fiets ik naar huis van mijn muziekrepetitie. De kinderen zijn alleen thuis. Natuurlijk kan Thomas (11) niet slapen. Te veel last van zijn zesde zintuig. ‘Hoe gaat het met opa-Jan?’ Ik begin te huilen: ‘slecht, heel slecht. Hij gaat waarschijnlijk dood vannacht.’ Thomas rent weg. Dat doet hij altijd als hij het echt niet meer weet. In het washok aan het einde van de gang duikt hij in elkaar. Er komt een soort paniek over hem. Hij hapt naar adem. Kan bijna niet meer praten. Zegt stotterend dat de dokters iets móeten doen om hem te redden. Ik zeg dat ze dat al geprobeerd hebben. Hij begint wanhopig te huilen.

We drinken een kopje thee en Thomas komt bij mij in bed liggen. Als we meer dan twee uur slapen die nacht is het veel. Gaat hij nu dood? Of over een uur? Het is heel bizar.

Jan(13) wordt heel stil als ik hem de volgende ochtend vertel dat opa-Jan zeer waarschijnlijk de nacht niet heeft overleefd. Gideon(6) vindt het ‘heel jammer’. Ik stel voor dat ze die dag niet naar school gaan. De oudste twee vinden dit fijn, maar Gideon protesteert. ‘Ik wil wél naar school!’  De kleuter juf kijkt ons meelevend aan.

Met Jan en Thomas ga ik naar het strand. Het is raar om op een gewone dinsdagochtend door de duinen te lopen met mijn leerplichtige kinderen. Ze hebben steeds het gevoel dat ze weg moeten duiken. Ik pest ze: ‘pas op daar loopt de leerplichtambtenaar’. Het is heel verdrietig en ook wel heel knus. Er hangt een soort samenzweerderige stemming. Het is mistig en we praten over de hemel. En of god nou wel of niet bestaat. We komen uit bij de oerknal. Maar wie heeft dat dan veroorzaakt? Jan herinnert zich het verhaal van de verlichters . Die geloofden in een soort horlogemaker die  de slinger van de klok – de aarde dus – alleen maar een klein zetje had gegeven en dat het balletje vanaf dat moment is gaan rollen. Hij vindt het wel een mooie theorie. Ik ook, maar Thomas heeft z’n twijfels. ‘Opa-Jan hield van de zee he?’ ‘Ja, opa-Jan hield van de zee.’ Bastiaan belt om te zeggen dat zijn vader nog steeds wordt beademd.

Ik stel voor om Bastiaans alleenstaande broer uit te nodigen om te komen eten vanavond. ‘Nee, doe dat maar niet’, zegt Thomas. En tot mijn verbazing is Jan het daar helemaal mee eens. ‘Neu, doe maar niet hoor.’ Ik kijk ze vragend aan. ‘Maar waarom niet?’ ‘Nou gewoon’.  En dan komt het er na lang trekken toch uit. ‘Straks gaat ‘ie nog huilen!’ ‘Nou en!’, zeg ik. Thomas hakkelt: ‘Ja, kijk, ik weet wel dat het niet raar is als mannen huilen en zo, maar toch wil ik het niet zo graag zien.’ En een huilende moeder kan wel? ‘Eh..ja’

Er is nog een grote zorg bij de jongens: ‘wat moeten we tegen papa zeggen als ie terug komt?’ Gaat ie dan huilen? Is ie dan anders? Denk je dat hij ooit weer blij kan zijn en gewoon zoals hij vroeger was? Hoe lang duurt dit?’

Gideon komt vrolijk uit school. ‘Hoe gaat het met opa-Jan? Is ie dood?’ ‘Nee’, zeg ik. Maar wel in een hele diepe slaap. ‘Oh, zoiets als Doornroosje’, zegt Gideon. ‘Ja zoiets’, zeg ik.  ‘Maar die werd weer wakker gekust, zegt ie tevreden.’ ‘Ja, maar opa-Jan wordt niet wakker gekust’. Gideons gezicht betrekt even maar klaart dan toch weer op: ‘maar als ie dood gaat vliegt het engeltje uit zijn buik en die wordt dan wél  wakker gekust. Ik kijk hem vragend aan. ‘In de hemel’ zegt ‘ie triomfantelijk.

Toen Jan destijds vier was overleed zijn beste vriend – ook vier-  aan leukemie. Ik heb toen lang nagedacht over wat je daarover moet zeggen tegen een kind van die leeftijd. Ik zocht voorleesboekjes maar kon niet veel vinden – kwam uiteindelijk uit bij het boek ‘dat is heel wat voor een kat’ . De kat gaat dood, wordt begraven en wordt weer één met de aarde. Daar kan vervolgens weer een plant op groeien.  Nou ben ik geen kerkganger maar ik vind het leven te wonderbaarlijk om te denken dat alles verdwijnt – wel je lijf natuurlijk, maar er is toch ook iets van een ziel denk ik. Vandaar het verhaal met het engeltje dat uit je buik floept. ‘Waar gaat dat dan heen’ vroeg Jan destijds. ‘Naar god in de hemel’. Ik kreeg het woord ‘god’ met moeite uit mijn mond maar was toch tevreden dat ik het zei.  Je kunt je gaan uitputten in vage bewoordingen –‘ik geloof wel dat er ‘iets’ is’ –  maar waarom niet het woord gebruiken dat hier al duizenden jaren voor bestaat. En dat Jan hem als een gezellige man met veel speelgoed en spelende engeltjes om zich heen voorstelde, vond ik best. Maakte het meteen een stuk behapbaarder voor hem.

Opa’s engeltje gaat dus naar de god in de hemel. En midden op het schoolplein belt Bastiaan om te zeggen dat dit ook echt is gebeurd.

Thuis vertel ik het de jongens. Thomas reageert nu heel rustig. Jan moet huilen. De bel gaat. Het zijn twee vriendjes uit Thomas’ klas. Ze komen hem troosten. ‘Gecondoleerd’ zeggen ze tegen de huilende Jan en verdwijnen naar boven om te Lego-en. ‘Wat zei die nou’, vraagt Jan. ‘Geconduleet? Wat is dat?’

De volgende dag gaan Jan en Thomas weer naar school. Thomas lever ik persoonlijk af bij de juf. Hij heeft er enorm tegenop gezien. De halve klas staat om hem heen om het verhaal te horen. Ze vinden het heel zielig voor hem, al lijkt het erop dat sommigen kinderen het ook wel heel spannend vinden. ‘Ik was erbij toen Bastiaan werd gebeld door zijn moeder om te zeggen dat het niet goed ging met z’n vader’ zegt een klasgenoot met rode konen van opwinding.

Ik wacht voor de zekerheid nog even op de gang . Terecht, want vijf minuten later rent Thomas weer huilend naar buiten. Het gaat echt niet. ‘Ik wil het hele verhaal niet nog een keer vertellen.’Hij gaat weer  mee naar huis. Ik ga hardlopen en hij fietst mee. Het is weer heel gezellig. Thuis maakt ie een tekening van een poes voor zijn oma. Hij is blij dat ie iets kan doen.

In het rouwcentrum staat de kist opgebaard in een zaaltje voor familie. We hangen er een beetje om heen als in een bar. ‘Waar liggen z’n voeten?’ vraagt mijn vierjarige nichtje. Het geeft de boel wat lucht. Een keurige kraai brengt ons naar de volgauto’s. De ogen van de jongens glimmen: is dit een echte limousine?

Gideon wiebelt op zijn stoel in het zaaltje bij de begraafplaats. ‘Wanneer mag ik mijn liedje nou zingen?’, fluistert hij hard. ‘Mag ik nog een pepermuntje? Waarom klappen ze niet als iemand iets heeft gezegd?’ Eindelijk mag hij zingen van het sneeuwvlokje. Jan helpt hem en Thomas begeleidt hem op de piano – ‘ik heb de kleinste rol’, pruilt hij als we het van te voren bespreken.

De begraafplaats is mooi en oud en hier en daar begint er al iets te bloeien. De zon schijnt. De kleinkinderen duwen opa-Jan samen met hun vaders en ooms naar het graf. Daar aangekomen haalt Jan zijn trompet te voorschijn en speelt een lied. Niet de Last Post – ‘echt niet’- maar  ‘Every time we say good bye’ van Ella Fitzgerald.   Ondertussen staart Gideon zijn ogen uit. Is gefascineerd door de knop die de kist zal laten zakken en kijkt zorgvuldig naar de constructie met de dennentakken die het diepe graf en het hijstoestel een beetje moet verhullen. Hij moet echt worden tegengehouden anders valt hij er zo in.

De rouw achteraf komt bij vlagen. Jan begint een dagboek – ‘ik heb wel eens gehoord dat helpt.’ Thomas moppert af en toe hardop: ‘ iedereen gaat de laatste tijd maar dood; opa-Jan, de hamsters van Jonas.. .En Gideon maakt zich zorgen om Oma: ‘ze moet maar  bij ons komen wonen?’. Hij denkt even na. ‘Maar als jullie sterven’ – waar haalt hij dit woord vandaan? – ‘dan ga ik gewoon bij oma wonen in Frankrijk.’ ‘Zou je het erg vinden als wij zouden sterven?’, vraag ik vals. ‘Ik zou het wel jammer vinden’, zegt hij met stalen smoel.

KADER

Tips bij rouw

1 Geef kinderen de ruimte om hun verdriet te uiten. Ga niet lopen trekken maar luister gewoon met liefdevolle aandacht als ze iets te vertellen hebben. Maak het onderwerp bespreekbaar.

2. Kinderen rouwen anders dan volwassenen. Het rouwen gaat in stukjes – het ene moment zijn ze verdrietig, het volgende moment weer heel vrolijk. Ook verschillen de reacties per kind. Het ene kind wordt stil, het andere juist heel druk. Denk dus niet te snel dat het verdriet wel mee valt.

3. Houd in tijden van rouw vast aan je dagelijkse rituelen.  Deze duidelijkheid geeft kinderen houvast.

4. Kinderen tot en met een jaar of zes zien de dood vaak nog niet als iets definitiefs. Als ze verdrietig zijn, is dat vaak omdat ze de persoon op dát moment missen. Het is niet omdat zij denken de persoon nooit meer te gaan zien. Het kan zijn dat ze op latere leeftijd als nog gaan rouwen omdat dan wel echt tot hen doordringt wat er is gebeurd.

5. Jongens en meisjes rouwen vaak verschillend – met name die van negen jaar en ouder. Meisjes willen meestal wel over hun gevoelens praten. Jongens hebben daar meer moeite mee. Je kunt met jongens daarom beter iets gaan doen om vervolgens terloops het onderwerp aan te snijden. Vraag niet ‘wat voel je?’, maar heb het bijvoorbeeld over verlies in zijn algemeenheid.

6. Betrek de kinderen bij de begrafenis/crematie. Geef ze een rol en laat ze de kist met de overledene zien. Dit verbetert de verwerking van het verlies.

Deel dit artikel

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Ook interessant voor u