Vraatzuchtige pubers


2.4.2013

JM oktober 2006

Er zijn maar weinig mensen die het wagen om iets zinnigs te zeggen over pubers en eten. Want ja, ze weten het heus wel hoor, dat ze beter hun boterhammen kunnen opeten dan een pak stroopwafels of gevulde koeken. En dat het slimmer is om ‘de lekkere trek te stillen met een appel’ dan met een Mc Flurry. Maar het is zo lekker. En iedereen doet het toch? En wat kan hun die ‘diabetes-type-twee’ en die hart en vaatziekten schelen. Daar zijn toch pillen voor?

Ageeth Hofsteenge is als diëtist verbonden aan de obesitaspolikliniek van het VU medisch centrum. Zij is naar eigen zeggen een van de weinigen die het wél leuk vindt om te proberen pubers te verleiden, minder en gezonder te eten. Wat is haar strategie?

Hofsteenge: “Als je kinderen wilt motiveren om hun voedingspatroon te veranderen zul je eerst moeten weten waarom ze de hele tijd aan het snaaien zijn. Is dat omdat ze de hele tijd honger hebben? Is dat omdat iedereen het doet? Is dat omdat ze zich vervelen? Of omdat ze zich ongelukkig voelen?”

Volgens Hofsteenge heeft de echte trek vaak te maken met het feit dat de pubers niet goed hebben ontbeten of omdat ze niet goed lunchen. Klinkt logisch, maar de vraag blijft: hoe krijg je ze aan het ontbijten? Wat zeg je tegen een puber met een ochtendhumeur die zegt echt geen hap door z’n keel te kunnen krijgen? Hofsteenge: “Ik heb het gevoel dat ouders nog te vaak denken dat een goed ontbijt bestaat uit boterhammen. En dat als kinderen dat niet willen eten, ze dús niks kunnen eten. Dat is zonde want er zijn best alternatieven. Je kunt bijvoorbeeld beginnen met yoghurt en een vrucht of yoghurt met muesli. Andere alternatieven zijn de zogenaamde drink- fruitontbijten die je tegenwoordig kant en klaar kunt kopen. Pubers die ook dat nog teveel vinden, kunnen beginnen met een vrucht en wat vruchtensap of thee. Door steeds iets te eten ’s ochtends – ook al is het weinig – wennen ze aan het idee dat ze móeten ontbijten en kun je het later gaan uitbouwen met wat meer granen – muesli of brood bijvoorbeeld.” Hofsteenge benadrukt dat het heel belangrijk is dat er ’s ochtends ook echt tijd is om te ontbijten en dat ouders het goede voorbeeld moeten geven. “Als je zelf heel gehaast bent ’s ochtends en geen tijd hebt om iets te eten, moet je niet van je kinderen verwachten dat zij het wel doen. Met zijn allen een beetje vroeger opstaan kan vaak geen kwaad. En een beetje eerder naar bed helpt natuurlijk ook. Want een kind dat zwaar vermoeid aan het ontbijt zit is wel heel moeilijk te motiveren om iets te eten.”

Dat is één aspect. Maar dan komt de school. Hoe zorg je dat ze die gesmeerde boterhammen opeten die ze – als het mee zit – bij zich hebben? Hofsteenge: “Op de eerste plaats raad ik ouders aan om het onderwerp gewoon op een luchtige manier ter sprake te brengen – eet jij je boterhammen op en zo nee waarom niet? Voorkom vooral dat je in een verwijtende sfeer terecht komt. Doe je dat, of heeft je kind het vermoeden dat dat zo is, dan gaan ze dingen verborgen houden en dat is het laatst wat je wilt. Want als kinderen eerlijk zijn over wat ze eten ben je al een eind op de goede weg. Ik zeg ook altijd tegen de kinderen die hier komen vertellen wat ze allemaal eten  op een dag – en dan hebben ze het in sommige gevallen over een lunch van vijf gevulde koeken -, dat ik het heel dapper van ze vind dat ze hier voor uitkomen omdat dat waarschijnlijk niet iets is waar ze echt trots op zijn. Soms zie ik hun ouders dan verbaasd opkijken omdat ze denken dat ik als diëtist hun zoon of dochter eens flink op hun donder zal geven. Maar nogmaals, dat doe ik dus niet!”

Is de eerste hobbel genomen dan is het volgens Hofsteenge zaak om te achterhalen hoe het kind zelf denkt over een eventuele verandering van zijn of haar eetpatroon. Wat zou haalbaar kunnen zijn? Leg in ieder geval uit dat als je drie keer per dag gezond eet, je minder zin hebt in gesnaai. En vertel met name meisjes die steeds aan hun lijn denken dat je beter twee of drie boterhammen tussen de middag kunt  eten dan slechts één. Want dan krijgen je later op de dag veel meer zin om te ‘snacken’. Hofsteenge benadrukt wél dat bijna iedereen, al eet hij nog zo goed, gewoon af en toe zin heeft in iets lekkers. Daar moet je volgens haar ook niet te krampachtig over doen, zeker niet bij pubers. “Vraag pubers waar ze zin in hebben. Hebben ze zin een chocola, geef ze dan van mijn part een stukje of een minireep mee naar school. Of zorg dat je het in huis hebt. Kinderen die opgroeien in gezinnen waar nooit iets lekkers in huis is, slaan vaak door als ze zelf wat meer te besteden krijgen. Die gaan stiekem eten. Zorg daarom dat je weet wat je zoon of dochter lekker vindt.  Neem het van mijn part een keer mee naar de supermarkt en laat het dingen aanwijzen. Maak vervolgens afspraken hoe vaak en wanneer het er van kan eten. Betrek de puber wel bij die afspraken – wanneer heb je er het meeste behoefte aan?  Dan hoeven ze het niet – of minder- stiekem doen. En dan haal je het uit de taboesfeer.”

Wat  Hofsteenge ‘haar’ pubers verder aanraadt is om van te voren te bedenken wat ze zullen gaan eten als ze meegaan naar de snackbar met hun vrienden. “McDonald’s heeft tegenwoordig een goede site waarop je precies kunt zien hoeveel calorieën ergens inzitten. Als je dat van te voren bekijkt kun je daarna heel weloverwogen, maar zonder dat iemand daar iets van merkt, een keuze maken. Verder vertel ik pubers dat je veel beter een patatje kunt eten met frietsaus dan met mayonaise. Frietsaus bevat namelijk veel minder calorieën. Dat zijn ook van die handige weetjes die er voor zorgen dat je af en toe wel gewoon mee kunt doen met de rest zonder al te onverantwoord bezig te zijn.”

Andere slimme snacks volgens Hofsteenge: popcorn, Japanse mix, ‘Snack a Jacks’, Pretsels en als het om koekjes en zoete dingen gaat: een cracker met jam of lange vingers. “Ik zeg altijd tegen pubers: ‘Kijk eens hoeveel lange vingers je kunt eten als je het vergelijkt met een gevulde koek. Als je iemand bent die graag dooreet kun je beter daar van dooreten dan van die vette koeken.” Wat volgens Hofsteenge echte instinkers zijn als het om calorieën gaat zijn de Sultana’s, de Evergreens en Liga’s . Die worden aangeprezen als ‘gezond’ en wekken dus de indruk dat je er onbeperkt van kan eten. Nou is een zo’n koekje  inderdaad niet zo erg, maar ze worden altijd per twee of drie aangeboden. Daardoor eten mensen er ook vaak twee of drie en dan zit je al snel op zo’n 200 calorieën en dat is best veel.

Hofsteenge merkt dat ze pubers soms ook weet over te halen om beter te gaan eten als ze ze uitlegt dat ze zich misschien wat fitter zullen voelen als ze beter eten. “Ik vraag weleens dingen als: ‘laat je veel scheten?’ of ‘kun je makkelijk poepen?’. Als ze daar problemen mee hebben leg ik ze uit dat dat te maken kan hebben met het eten van veel snacks en weinig groente, fruit en bruin brood of met het drinken van veel frisdrank, met name de ‘light’-versie. Veel kinderen weten niet dat dat met elkaar in verband staat.

Als het om het zogenaamde emotionele eten gaat zijn met name de meisjes een verhaal apart. Hoftseenge: “Meisjes zijn veel meer dan jongens met hun lijn bezig. Een jongen die iets dikker wordt, camoufleert dat makkelijk met wat lossere kleren. Hij ziet er wat forser uit maar dat maakt hem op een bepaalde manier ook wel stoer. Meisjes dragen meestal veel strakkere kleren waar hun figuur goed in uitkomt. En dus merken ze snel als ze iets dikker worden. Dan gaan ze vaak krampachtig aan de lijn doen – ze verbieden zich zelf echt alles! – , raken geobsedeerd door eten, worden gefrustreerd en ongelukkig en troosten zichzelf met iets lekkers.” Ook in dit geval geldt volgens Hofsteenge: blijf praten. Help je dochter het patroon signaleren. Probeer haar te helpen bij het omgaan met die emotie. Leg uit hoe je goed eet – liefs drie goede maaltijden per dag – en dat je ook best af en toe iets lekkers mag. Hofsteenge merkt verder op, dat dochters niet zelden dit eetgedrag kopiëren van hun moeder. Is dit het geval dat zouden moeders ook eens bij zichzelf te rade moeten gaan in hoeverre zij iets aan hun eigen eetprobleem kunnen doen.

Tot slot merkt Hofsteenge op dat ouders af en toe ook best iets fermer mogen zijn als het gaat om eten. “Wees open over het eten, geef kinderen de ruimte om te snoepen maar stel ook duidelijke grenzen. Stel bijvoorbeeld als regel: nooit de deur uit zonder ontbijt. En waarom zou je iedere dag frisdrank moeten drinken? Ik vind dat je dat best tot het weekend kunt beperken. Thee en water zijn ook goede dorstlessers. En die groente die je ’s avonds opschept moeten gewoon gegeten worden en op zijn minst geproefd. Eet je kind het liefst pasta maar eet jij liever aardappels of rijst? Dan eet je twee keer per week pasta en de andere dagen aardappels of rijst. Zo kom je elkaar tegemoet en leert je kind meerdere dingen waarderen. Je moet er toch niet aan denken dat je kind later zo’n man of vrouw wordt die ‘niks lust?’”