Over het boek ‘Wat doen we met de baby?’

Hersenen van jonge kinderen groeien spectaculair hard in de eerste twee levensjaren. De ontwikkeling van hun brein is sterk afhankelijk van de emotionele zorg en aandacht die zij dan krijgen. Optimale ontwikkeling vraagt om optimale zorg, hetzij van ouders zelf, hetzij van een vast persoon die deze rol gedeeltelijk overneemt. In ‘Wat doen we met de baby?’ kom ik in navolging van instanties als Unicef tot de conclusie dat crèches deze zorg zelden kunnen bieden aan hele jonge kinderen.

Los van het feit dat allerlei wetenschappelijk onderzoek aanleiding geeft serieuze vraagtekens te plaatsen bij groepsopvang voor kinderen onder de twee jaar, is de kwaliteit van de Nederlandse crèches in de afgelopen 12 jaar spectaculair gedaald: de helft krijgt nu een matig, de andere helft een onvoldoende. Dit kwaliteitsprobleem wordt erkend door de overheid maar gezien de huidige bezuinigingsmaatregelen is het nog maar sterk de vraag of de gewenste verbetering er gaat komen. Daar komt bij dat de huidige marktwerking in de kinderopvang het onmogelijk maakt om een constante hoge kwaliteit van zorg te bieden die ook nog eens voor alle kinderen – rijk en arm – beschikbaar is.

Wat doen we met de baby? legt uit hoe het zit met die hersenontwikkeling van baby’s, wat er tot nu toe bekend is over de invloed van creche-bezoek op jonge leeftijd, waarom de Nederlandse crèchesituatie is zoals hij nu is, en hoe je in een land met een van de slechtste ouderschapsverlofregelingen van Europa je werk en de zorg voor je baby het beste kunt combineren.