Minder naar de opvang; een vloek of een zegen?

25.11.2013

Voor ouders is kinderopvang sinds begin dit jaar een stuk duurder. Een overheidsbezuiniging waarvan de gevolgen al merkbaar zijn: zo zegt 40 procent van de ondervraagde ouders in een enquête – van FNV Bondgenoten en de belangenorganisatie Voor Werkende Ouders – dat ze hun kinderen minder naar de opvang brengen dan voorheen. Het aantal faillissementen in de kinderopvang is dan ook twee keer zo hoog als vorig jaar.

Politici zijn vooral bezorgd over de vraag of ouders vanwege de bezuiniging hun kind meer thuis gaan opvangen en daarom zelf minder gaan werken. Maar wat zijn de gevolgen voor degenen om wie het gaat: de kinderen? Is minder investeren in de opvang kwalijk of gunstig voor hun ontwikkeling?

 

Stress in de crèche

Voor de allerjongste kinderen, tussen 0 en 2 jaar, zou minder kinderopvang geen vloek zijn maar mogelijk juist een zegen – althans, als ze daardoor langer kunnen worden verzorgd door hun ouders of een vaste, zorgzame oppas. Groepsopvang kan voor baby’s behoorlijk stressvol zijn, bleek uit onderzoek van ontwikkelingspsycholoog Esther Albers van de Radboud Universiteit Nijmegen. En stress bij baby’s en jonge kinderen is iets om voorzichtig mee om te gaan. Dat komt doordat in ons eerste levensjaar ons hele stresssysteem wordt aangelegd en ingeregeld. Wordt een kind in die cruciale periode langdurig aan stress blootgesteld, en wordt die stress niet goed gereguleerd –wordt hij bijvoorbeeld niet getroost door een vertrouwd persoon – dan bestaat de kans dat het kind als volwassene minder goed tegen stress bestand is.

Of een baby in de crèche zo gestrest raakt dat hij daarvan op lange termijn last krijgt, is niet met honderd procent zekerheid te zeggen. Dat lijkt onder meer af te hangen van zijn genen; de ene baby reageert heftiger op een stressvolle omgeving dan de andere.

Met harde conclusies moeten we dus voorzichtig zijn, zegt onder anderen de Amerikaanse ‘crèchestress-deskundige’ Megan Gunnar van de universiteit van Minnesota. Maar volgens haar moeten we wel in de gaten houden wat de mogelijke gevolgen van deze verhoogde stresswaarden zijn voor de ontwikkeling van kinderen, gezien het feit dat zulke stress ‘in verband wordt gebracht met angstig en over-waakzaam gedrag bij meisjes, en boosheid en agressie bij jongens’. Dat zeggen ook de Nijmeegse ontwikkelingspsychologe Marianne Riksen-Walraven en andere onderzoekers: de nieuwe kennis over stress en de twijfelachtige langetermijneffecten van groepsopvang op heel jonge leeftijd zijn volgens hen reden om voorlopig te zoeken naar alternatieve opvang voor baby’s.

 

Lappendeken van verzorgers

Helaas – en dat weten veel ouders – is een goed opvangalternatief voor de crèche niet altijd makkelijk te organiseren. Vaak krijgen kinderen te maken met een lappendeken van opvangmogelijkheden: een dagje crèche, een dagje oma van de ene kant, een dagje opa van de andere kant, en misschien nog een halve dag crèche waarna een vriendin het kind ophaalt. Kinderen hebben daardoor niet echt de kans om een warme band op te bouwen met de mensen die hen verzorgen. En laat dat nou precies het allerbelangrijkste zijn voor hun ontwikkeling: ze worden er socialer en slimmer van. In een Australisch onderzoek werd dan ook aangetoond dat kinderen die op jonge leeftijd veel verschillende verzorgers hadden gehad, op latere leeftijd lastiger, ongeconcentreerder en minder sociaal vaardig waren dan kinderen die in een stabielere situatie hadden verkeerd.

 

Betere ontwikkeld

Voor kinderen vanaf een jaar of 2 pakt de bezuiniging ongunstiger uit dan voor de allerjongsten. Voor hen is kinderopvang namelijk echt een kans om zich beter te ontwikkelen. Zo blijkt uit buitenlandse langetermijnonderzoeken, waaronder het Britse EPPE-onderzoek, dat een kind als 14-jarige nog steeds profijt heeft van goede kinderopvang en zorg op zeer jonge leeftijd.

Die positieve effecten zijn vooral vastgesteld bij kinderen uit kansarmere gezinnen; op lange termijn zijn ze beter in taal en rekenen, leren ze beter en slimmer, en zijn socialer. De Europese Commissie adviseerde de lidstaten dit voorjaar dan ook om, ondanks de crisis, flink te investeren in zorg en onderwijs voor heel jonge kinderen. Ze noemt dat de effectiefste manier om de armoedespiraal te doorbreken waarin kinderen uit kansarme gezinnen dreigen te belanden.

Profiteren kinderen van hoger opgeleide ouders dan niet van kinderopvang? Jawel. Uit Nederlands onderzoek bleek bijvoorbeeld onlangs dat 5-jarigen die naar de crèche waren geweest, tijdens een spelletje meer rekening hielden dan niet-crèchekinderen met het lagere niveau van 2-jarige medespelers. Verder lijkt onderzoek erop te wijzen dat de aansluiting met de basisschool soepeler verloopt voor kinderen die de kinderopvang hebben bezocht – al laat ander onderzoek zien dat een kleuterklas met veel voormalige crèchekinderen onrustiger is dan een klas met weinig crèchekinderen.

 

Matig van kwaliteit

Kinderopvang heeft in een aantal gevallen dus gunstige effecten – maar uit onderzoek wordt steeds duidelijker dat er wel een voorwaarde aan is verbonden. Om kinderen echt te laten profiteren moet kinderopvang beslist van goede pedagogische kwaliteit zijn. En laat dat nou net een punt zijn waarop Nederland beter zouden kunnen scoren. Want hoewel de meeste ouders heel tevreden zijn, scoort 86 procent van de crèches niet hoger dan ‘matig’ op de meetschalen van het Nederlands Consortium Kinderopvangonderzoek. Slechts 12 procent krijgt het stempel ‘goed’.

Waar crècheleiders en -sters vooral nog beter in zouden kunnen worden, is bedenken welke activiteiten bij een bepaalde kinderleeftijd horen, en inspelen op wat een kind aan het doen is en interessant vindt. Dat geldt ook voor het op een positieve manier stimuleren van contacten tussen kinderen. Verder zouden ze, kort gezegd, wat meer mét kinderen moeten praten in plaats van tégen ze.

 

Meer steun voor verzorgers

Kortom, de vraag of minder kinderopvang een vloek is of een zegen, is een zeer complexe. Het antwoord wordt misschien het beste samengevat door Jack Shonkoff, directeur van Harvards Center on the developing child. Je kind naar een crèche of peuterspeelzaal brengen, stelt hij, kan een goede manier zijn om kinderen cognitief te stimuleren en uit te dagen – vooral de kinderen die thuis wat minder meekrijgen. Maar minstens zo belangrijk noemt hij ‘het voorkomen, beperken of verzachten van alle omstandigheden die een negatieve invloed kunnen hebben op een succesvolle ontwikkeling van het jonge brein’.

En daar valt volgens Shonkoff nog flinke winst te behalen. Maar aan die winst gaat een grote investering vooraf. Niet zozeer in de kinderen als wel in de volwassenen die hen verzorgen. Ouders en crècheleiding hebben ondersteuning nodig, zowel moreel als organisatorisch, vindt Shonkoff. Voor ouders kan steun neerkomen op langer ouderschapsverlof, ouderschapscursussen en psychologische ondersteuning. Crècheleidsters hebben baat bij een lagere werkdruk, bijscholing, en maatschappelijke waardering voor hun zware en verantwoordelijke werk.

Zo bezien is een bezuiniging op de kinderopvang hoe dan ook een vloek.

 

Bronnen o.a.: M. Gunnar e.a., The rise in cortisol in family daycare: Associations with aspects of care quality, child behavior, and child sex, Child Development, 2010 / J. Love e.a.,

Child care quality matters: how conclusions may vary with context, Child Development, 2003 / M. Gunnar e.a., The stressfulness of separation among nine-month-old infants: Effects of social context variables and infant temperament, Child Development, 1992 / J. Shonkhoff, Protecting brains, not simply stimulating minds, Science, 2011