Marktwerking in de kinderopvang schaadt kind en maatschappij (Financieel Dagblad)

9.6.2012

Sinds de overheid in 2005 besloot de kinderopvang over te laten aan de markt is niet alleen de kwaliteit dramatisch gedaald* maar lijkt ook een andere voorspelling van de OESO uit te komen**: commercialisering van de crèches vergroot de kans dat kwalitatief goede kinderopvang een privilege wordt voor kinderen van rijke ouders. Een toneel- en verkleedruimte, een natuurontdektuin, een bibliotheek en tweetalige crècheleidsters die je Engels leren; het artikel ‘De betere crèche’ dat anderhalve week geleden in de FD-persoonlijk stond, was de perfecte illustratie.

Is het erg, dat verschil? Ja, dat is erg omdat goede kwaliteit van wezenlijk belang is voor de ontwikkeling van een jong kind. Die kwaliteit zit hem niet zozeer in dat porseleinen bordje. Het zit hem in het financiële vermogen om meer en betere pedagogisch medewerkers aan te trekken en in dienst te houden (belangrijk voor de continuïteit van de zorg en het aantal ‘contactmomenten’), in het bieden van een ruimere opvanglocatie en van meer ontwikkelingsgerichte activiteiten (natuurontdektuin, verkleedruimte).

Dit soort zaken zijn geen overbodige luxe. Kinderen maken in hun eerste levensjaren een gigantische breinontwikkeling door. De ontwikkeling van dit ‘hersenfundament’ is sterk afhankelijk van de zorg en de aandacht die kinderen op dat moment krijgen en is bepalend voor hun ‘intelligentie, persoonlijkheid en gedrag’, aldus de OESO. Niet voor niets stellen de economen Cunha en Heckman dat er geen periode is waarin het ‘rendement op investering in menselijk kapitaal’ hoger is dan in de eerste vier levensjaren. Om die reden stelde UNICEF in 2008*** dat overheden minimaal 1% van het Bruto Binnenlands Product zouden moeten investeren in de allerjongste kinderen – te besteden aan langer betaald ouderschapsverlof en kwalitatief goede kinderopvang voor iedereen. Nederland besteedt nog niet de helft van dit bedrag. Van alle OESO-landen geven alleen Portugal, Mexico en de VS minder uit.

Hoger opgeleide bemiddelde ouders beginnen te doorzien dat kinderopvang méér is dan een manier om je handen vrij te maken om te werken en dat de overheid flink wat steken laat vallen op dit vlak. Zij nemen, zeer begrijpelijk, zelf het initiatief en leggen graag extra geld neer voor goede zorg. Minder gefortuneerde, laagopgeleide ouders, wiens kinderen door de bank genomen méér profiteren van goede kinderopvang, kunnen zich deze goede opvang niet permitteren. Zij moeten hun heil blijven zoeken bij de gewone kinderopvang die, vanwege de bezuinigingen, kampt met financiële tekorten. Recent nog kondigde een grote kinderopvangorganisatie aan dat zij moet gaan bezuinigen op ruimte en personeel; de baby’s zullen worden ondergebracht in zogenaamde verticale groepen waar kinderen van alle leeftijden door elkaar zitten. Dat laatste klinkt leuk maar de baby’s krijgen er – zo blijkt in de praktijk* – nog minder zorg en aandacht dan in de horizontale babygroep. Kortom, voor het kind is het een achteruitgang, zeker als je bedenkt dat ruimtegebrek in verband wordt gebracht met meer stress bij een kind.

Het wordt tijd dat de Nederlandse overheid zich gaat realiseren dat goede kinderopvang een recht is van alle jonge kinderen. Dat mág je niet aan de markt overlaten. Want anders dan op een gewone markt waar een ‘niet goed, geld terug-regeling’ geldt als het product je niet bevalt, kun je het ‘product’ kinderopvang niet ruilen. De ervaring die een kind daar heeft opgedaan op een cruciaal moment in zijn of haar leven kan hij nooit meer overdoen.

 

*(Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek , mei 2009)

**(Starting Strong II 2006)

***(Innocenti Reportcard 8)