Marktwerking in de kinderopvang: Hoe beter de crèche, hoe eerder failliet (NRC en NRC-next)

30.5.2013

Maandag 3 juni houdt de Tweede Kamer een hoorzitting over de kinderopvang. Een van de vragen is of we ‘in de huidige omstandigheden’ kinderopvang van voldoende kwaliteit kunnen bieden. Wij – Ewoud Poerink en Marilse Eerkens – betogen van niet. En bezien vanuit de ontwikkeling van het kind vinden wij dat onacceptabel.

‘De huidige omstandigheden in de kinderopvang’ komen er op neer dat kinderopvang wordt gezien als een marktproduct. Ondernemers bieden het aan en ouders gaan op zoek naar de plek waar ze het meeste ‘waar’ krijgen voor hun geld dat zij deels in de vorm van een overheidssubsidie verstrekt krijgen.

Op papier ziet dit systeem er prachtig uit. In de praktijk werkt het niet. Waaróm dat zo is, is al lang geen vraag meer. In nationale en internationale onderzoeken wordt keer op keer gehamerd op twee fundamentele problemen die het effect van de marktwerking frustreren:

1. Om er voor te zorgen dat de markt goed functioneert, moeten ouders de pedagogische kwaliteit goed kunnen beoordelen. Maar dat kunnen ze helemaal niet. Onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat ze die pedagogische kwaliteit systematisch véél hoger inschatten dan zij in werkelijkheid is (Cryer en Burchinal 1997, Early Childhood Research Quarterly). Als de leidsters aardig zijn en de inrichting gezellig, zijn ouders al snel tevreden. Dat is ook wel logisch: het beoordelen van de pedagogische kwaliteit is complex, zeker als je niet kunt zien hoe het er aan toe gaat op een crèchedag. Je zou nog kunnen denken dat je op de GGD-rapporten kunt afgaan maar die zeggen eigenlijk niks over de manier waarop leidsters met de kinderen omgaan. Die rapporten gaan vooral over veiligheid en hygiëne en over de aanwezigheid (niet de uitvoering!!) van een pedagogisch beleidsplan. Bovendien zijn de minimale eisen die de GGD stelt aan het aantal leidsters op een groep volgens wetenschappelijke inzichten (De Schipper, American Association of Pediatrics) te laag – zeker voor kinderen tussen de nul en twee jaar.

2. Maar zelfs als ouders wél in staat zijn een crèche te beoordelen, zullen ze hun kind er toch niet zo snel weghalen. Want los van de vraag of ze überhaupt ergens anders een plek kunnen vinden (zoals een jaar geleden nog het geval was), is het helemaal niet in het belang van het kind om hem uit zijn vertrouwde omgeving weg te halen.

Met andere woorden: het is in het huidige systeem voor crèches helemaal niet aantrekkelijk om zich te onderscheiden op pedagogische kwaliteit. Crèches concurreren daarom op punten waar ouders wél op letten en over kunnen oordelen: langere openingstijden, flexibiliteit van de groepen, een geliktere uitstraling en de prijs natuurlijk. Allemaal maatregelen die de zorg voor het kind niet ten goede komen. Want langere openingstijden zijn misschien wel fijn voor ouders maar kunnen voor een kind veel te lang zijn. Flexibiliteit is misschien ook fijn voor ouders, maar voor het kind is het veel beter om op de vaste dagen dat hij komt, dezelfde groep kinderen om zich heen te hebben, zo stelt het Nederlands Jeugdinstituut. En dan de prijs. Goedkoper betekent bijna altijd minder personeel – minder groepsleid(st)ers en minder huishoudelijke medewerkers die de leidsters werk uit handen nemen. Dat gaat ten koste van het contact met de kinderen – precies datgene wat zeer bepalend is voor de pedagogische kwaliteit.

In tijden van crisis, zoals nu, zullen de crèches die niet bezuinigd hebben op personeel het eerste omvallen. Met andere woorden, kwaliteit bieden leidt tot zelfdestructie. Het is iets voor idealisten die het zich om welke reden dan ook kunnen permitteren of voor crèches die zich bevinden in rijkere buurten waar ouders bereid en in staat zijn meer te betalen. (Een gemiste kans als je je bedenkt dat in de sociale-achterstandswijken het meest geprofiteerd kan worden van kwalitatief goede kinderopvang.)

Maar hoe erg is het als kinderen worden blootgesteld aan matige tot onvoldoende kinderopvang?

Er zijn meerdere internationale (langetermijn)onderzoeken die laten zien dat er een correlatie bestaat tussen het gebruik van kwalitatief matige tot slechte crèches (zoals nu in Nederland) en probleemgedrag op latere leeftijd. Die correlatie is sterker naarmate een kind op jongere leeftijd naar de crèche gaat en er meer uren doorbrengt. Ook is er relatief nieuw onderzoek dat laat zien dat ‘naar de creche gaan’ behoorlijk stressvol is voor jonge kinderen, zeker voor baby’s. Of dat op lange termijn schadelijk is weten we niet. Wel weten we dat veel stress op jonge leeftijd in verband wordt gebracht met meer angst bij meisjes en meer agressie bij jongens.

Toch mag je op grond van deze bevindingen niet de conclusie trekken dat vroeg en veel naar een kwalitatief matige crèche gaan, slecht is voor de ontwikkeling van een kind. Een correlatie is immers geen oorzakelijk verband. Wetenschappers – pedagogen, psychologen – doen dan ook zelden uitspraken over dit soort zaken. Maar wat ze wél allemaal doen is manen tot voorzichtigheid. Zeker als het gaat om de aller jongste kinderen.

Maar wat is voorzichtigheid? In Nederland lijkt vooral het belang van de economie te bepalen wat wél en wat niet meer voorzichtig genoemd mag worden. Samen met de meepolderende belanghebbenden in het kinderopvangveld. Al deze partijen hebben een eigen lobbyclub die hun individuele belangen behartigen: de Brancheorganisatie Kinderopvang is er voor de ondernemers in de kinderopvang, BOink is er voor de oudercommissies, VNO/NCW en MKB Nederland zijn er voor de werkgevers en de FNV en het CNV zijn er voor de werknemers in de kinderopvang.

Niemand van deze overlegpartners komt expliciet op voor de rechten van kinderen. Jarenlang hebben deze partners de matige tot onvoldoende pedagogische kwaliteit van de kinderopvang – al of niet licht morrend – geaccepteerd of glashard ontkend. Er waren telkens grotere belangen die gediend moesten worden. Maar als de cijfers die het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek binnenkort gaat presenteren niet héél veel beter zijn dan in 2009, komt het er wél op neer dat we inmiddels acht jaar lang hele jonge kinderen matige tot onvoldoende zorg bieden op het moment dat ze een van de meest cruciale ontwikkelingen van hun leven doormaken.

Of dat erg is, is niet 100% wetenschappelijk aangetoond, nee. Maar erg verantwoord vinden wij het niet. Laat staan voorzichtig.

 

Ewoud Poerink is historicus, onderzoeker en schrijver van: ‘De Peuterindustrie, wat er mis is met de kinderopvang in Nederland’ – Meulenhoff 2012

Marilse Eerkens is psycholoog, journalist en schrijver van: ‘Wat doen we met de baby? Over hechting, hersens en kinderopvang’ – Bertram+de Leeuw 2012