Kleuters moet je niet leren lezen. Interview Ewald Vervaet


3.4.2013

JM april 2008

Experiment: Laat een kind van vier twee even volle smalle glazen zien. Schenk vervolgens een van de twee glazen over in een breed glas en vraag aan het kind welk glas voller is. Grote kans dat het kind van vier zegt dat het smalle glas voller is dan het brede glas. Stel vervolgens dezelfde vraag aan een kind van acht. Waarschijnlijk vertelt hij je lachend dat het smalle er weliswaar voller uitziet, maar dat er natúúrlijk evenveel in zit – haha, hij laat zich mooi niet voor de gek houden!

Het genoemde experiment is bedacht door de Zwitserse psycholoog Jean Piaget (1896 – 1980). Het was een van de manieren die hij gebruikte om aan te tonen dat het intelligent functioneren van kinderen gekoppeld is aan een biologisch ontwikkelingsproces. Met andere woorden:  kinderen kunnen pas iets nieuws leren als hun hersens daar biologisch gezien klaar voor zijn. De theorie van Piaget heeft lange tijd veel aanhangers gehad maar wordt door veel van de huidige pedagogen en onderwijskundigen als achterhaald beschouwd. Zij denken namelijk dat de kennis die kinderen op doen, heel geleidelijk – en dus niet sprongsgewijs – wordt verzameld in de omgeving en dat kinderen het echt leren begrijpen door het na te doen en er regelmatig mee te oefenen.  De leeftijd waarop dit gebeurt speelt volgens deze wetenschappers geen rol. Hoe eerder hoe beter is dus het devies. Vandaar dat kinderen in tegenstelling tot vroeger, in de kleuterklas vaak al lees en schrijfonderwijs krijgen. ‘Een hele slechte zaak’, vindt de psycholoog  Ewald Vervaet. ‘Als je een kind dat biologisch gezien nog niet toe is aan lezen toch al probeert te leren lezen vergroot je de kans dat het dyslectisch wordt of dat het andere lees- en schrijfproblemen krijgt.’

Eigenlijk zegt u hiermee dat we weer terug moeten naar de kleuterklas van vroeger, waar het echt een taboe was om al voor je zesde met leesonderwijs te beginnen.

Ja, dat klopt. Wat leerkrachten destijds al intuïtief goed aanvoelden kunnen wij nu verder onderbouwen. Het te vroeg leren lezen werkt gewoon averechts. Kijk maar eens naar de huidige onderwijsresultaten. Kinderen lezen steeds slechter. Een groot deel van hen verlaat het basisonderwijs met een leesniveau van groep 6. Dat betekent dat ze in acht jaar leesonderwijs hetzelfde hebben geleerd als wat wij vroeger in 4 jaar leerden. ‘Ja’ zeggen die onderwijskundigen dan, ‘dat komt omdat de leraren niet goed genoeg hun best doen’. Maar dat vind ik veel te makkelijk. De onderwijskundigen moeten beter hun best doen. Zij moeten  nu eens accepteren dat kinderen op een bepaalde leeftijd biologisch gezien nog niet klaar zijn om te leren lezen in plaats van krampachtig te blijven vasthouden aan hun eigen theorieën die alleen maar ellende veroorzaken. Een boer gaat toch ook niet aan zijn plantjes trekken in de hoop dat ze dan sneller gaan groeien? Die weet dat alles z’n tijd nodig heeft en dat als je iets niet de tijd geeft, je het kapot maakt.

Waarom is het ‘fasedenken’ van Piaget en van u zo uit de mode geraakt bij onderwijskundigen en pedagogen?

Daar zijn verschillende redenen voor. Een van de kritiekpunten is dat bij een fasetheorie de fases zo vast liggen. Met andere woorden, men vindt het een starre theorie. Maar dat is helemaal niet waar. Ik zeg niet dat kinderen op een bepaalde leeftijd dit en dat moeten kunnen. Hoe snel een kind in een bepaalde fase terecht komt verschilt heel erg. Dat heeft allemaal te maken met hoe dicht bepaalde hersendelen bij elkaar liggen. Bij de een liggen ze dichter bij elkaar dan bij de ander en daarmee kom je gewoon eerder in een nieuwe fase.

Een ander belangrijk tegenargument van de fasetheorie is dat je een kind best kunt trainen om dingen te leren uit een volgende fase. Zo kun je een kind van vijf uitleggen dat als je een halfvol glas in een breder glas gooit, het uiteindelijk niet minder wordt ook al lijkt dat wel zo. En als je deze uitleg een paar keer herhaalt  is de kans groot dat dit kind uiteindelijk het juiste antwoord geeft ook al zou dat volgens de fasetheorie niet kunnen. Maar ik vind zelf dat je daarom niet mag zeggen dat de fasetheorie niet deugt. Want als een kind iets goed zegt, wil het nog niet zeggen dat het echt begrepen heeft wat hij heeft ‘geleerd’. Je kunt een jong kind namelijk van alles uit zijn hoofd laten leren. Kijk maar eens hoe goed ze memorie spelen. Maar ook het alfabet zeggen ze vaak feilloos op. Voor hen is dat net zoiets als het opzeggen van  ‘iene miene mutte’. Als ze dat kunnen,  moet je niet opeens gaan denken dat ze heel voorlijk zijn. Het is gewoon een apentrucje. Taal is namelijk niet de manier om er achter te komen of de denkstructuur van een kind is veranderd. Taal is een overdrachtsmiddel.

Hoe meet je dan wél of de denkstructuur is veranderd?

Een van de dingen waarbij je dat heel mooi kunt zien is het leren klokkijken Ik probeer dat wel eens bij kinderen van vijf. Ik begin dan met de hele uren. Dat lukt nog redelijk. Maar als ik de klok op half twee zet, zeggen ze óf dat het één uur óf dat het twee uur is óf dat het zes uur is. Als ik ze vervolgens uitgebreid uitleg dat het half twee is en ze daarna vraag weer op de klok te kijken en me te vertellen hoe laat het is – de klok staat nu op half drie – zeggen ze ‘weer’ dat het twee uur is of drie uur of zes uur. Kortom, ze kunnen zich de structuur niet eigen maken. Ook niet als ik de uitleg herhaal na een paar dagen.

U stelt dat het op een vrij eenvoudige manier te testen is of een kind biologisch gezien klaar is om te leren lezen. Hoe doe je dat?

Je neemt twee doorzichtige flesjes of glazen en vult die met gekleurde limonade. Een van de flesjes houd je scheef onder een hoek van 45 graden. Vervolgens teken je de lege flesjes op een papier en vraag je het kind de limonade er in te tekenen. Een kind dat nog niet toe is aan lezen zal de streep in het schuine flesje niet horizontaal maar schuin of vertikaal tekenen. Een kind dat wel toe is aan lezen – de gemiddelde leeftijd is zes en een half – zal de beide lijnen horizontaal tekenen. Een vergelijkbaar testje kun je doen door een kind drie bomen op een helling te laten tekenen. Tekent het de bomen loodrecht naar boven, dan is zijn brein klaar voor het lezen. Tekent hij de bomen nog schuin op de helling dan moet hij nog even wachten met het leren lezen.

Begin je op zo’n moment toch met lezen dan is de kans groot dat je het kind niet alleen demotiveert – je laat hem namelijk iets doen wat hij biologisch gezien niet kan en dat is natuurlijk heel frustrerend – maar je loopt ook het risico dat hij dyslectisch wordt. Het brein wordt namelijk aangezet om iets te doen wat het nog niet kan. Dan worden er verbindingen gemaakt met uitlopers van zenuwcellen die niets met lezen of schrijven te maken hebben met als gevolg dat ze het niet goed leren.

Dus als een kind per sé wil leren om zijn naam te schrijven en hij kan het testje nog niet maken, moet je dat dan tegenhouden?

Als ik dat hoor denk ik op de eerste plaats: weet je wel zeker dat je kind zo graag wil leren lezen en schrijven? Komt het echt uit hemzelf of wordt die wens bepaald door de cultuur waar we in leven. Een cultuur waarin ouders tegen elkaar opscheppen dat hun kind al zo handig is met letters, zijn naam al kan schrijven of al woordjes leest? Als je je dat hebt afgevraagd en je kind wil nog steeds met letters aan de gang gaan, laat hem dat dan vooral doen. Maar vestig er niet zo veel aandacht op. Leer het zijn naam schrijven en zonodig een ander zelfgekozen woord. Verbeter hem ondertussen niet als hij fouten maakt. In deze fase zijn ze de letters nog echt aan het tekenen, niet aan het schrijven. Hetzelfde geldt voor een kind dat spontaan leert lezen. Dat is prima, maar ga het vooral niet ontzettend lopen aanmoedigen.

En wat doe je als je kind in groep drie zit en nog steeds moeite heeft met lezen?

Neem om te beginnen die testjes af met die bomen of met die rechte en die schuine fles. Blijkt het die testjes nog niet goed te doen (dit zeg je natuurlijk nooit tegen het kind!), stimuleer hem dan dingen te doen die hem goed voorbereiden op het leren lezen. Doe bijvoorbeeld rijmspelletjes, lees veel voor en laat het kind veel tekenen en kleuren.

Heeft u verder nog tips voor ouders?

Laat je niet gek maken door de huidige theorieën over de maakbaarheid van de mens. Als er op de verpakking van zogenaamd educatieve spelletjes met cijfers en letters geschreven staat dat het geschikt is voor kinderen vanaf drie jaar, denk dan niet o jee dat moet mijn kind dus ook kunnen. Dit soort leeftijdsindicaties zijn namelijk allemaal gebaseerd op het idee dat fasen niet bestaan. Als het aan mij ligt komt er een verbod op dit soort speelgoed.

De keuzes van Ewald Vervaet

Lezen op aviniveau of lezen wat je leuk vindt?

Lezen wat je leuk vindt

Rubikskubus of scrabble?

Scrabble

Koppoter of Picasso?

Picasso

Sesamstraat of Walt-Disney tekenfilm?

Sesamstraat

 

Dr. Ewald Vervaet (1949) is kernfysicus, klinisch psycholoog en gepromoveerd als persoonlijkheids- en ontwikkleingspsycholoog. Daarnaast is hij auteur van de boeken ‘Groeienderwijs; Psychologie van 0 tot 3’en ‘Naar school; Psychologie van 3 tot 8’. Vervaet stelt dat kinderen zich sprongsgewijs ontwikkelen. Deze zogenaamde fase-theorie is niet onomstreden maar krijgen bijval van gerenommeerde wetenschappers waaronder de Groningse hoogleraar orthopedagogiek Sieneke Goorhuis-Brouwer.  Vevaet is naast onderzoeker ook docent aan de Volksuniversiteit in Amsterdam en de Academie Gradatim.