Kids’ Skills – oplossingen zoeken op eigen kracht


2.4.2013

JM januari 2006

‘Kinderen hebben geen problemen, er zijn hooguit bepaalde vaardigheden die ze nog niet helemaal onder de knie hebben. En die vaardigheden kunnen ze in veel gevallen leren.’ Dat is ongeveer de strekking van ‘Kids’ Skills’, het pas vertaalde boek van de Finse psychiater en psychotherapeut Ben Furman. Het klinkt prachtig maar doet tegelijkertijd denken aan managementclichés in de trant van ‘er bestaan geen problemen, alleen maar kansen, uitdagingen en oplossingen’. Gespierde taal maar in de praktijk soms lastig toe te passen. Geldt dat ook voor Kids’Skills? In Nederland is deze aanpak nog vrij nieuw. Maar degenen die er mee hebben gewerkt zijn enthousiast. Want ook al pas je het niet helemaal precies toe, het biedt veel interessante inzichten en aanknopingspunten.

Om te beginnen de theorie. Zoals gezegd is het uitgangspunt heel positief. Je gaat niet uit van de problemen maar van de nog te leren vaardigheden. Ben Furman: “Wat je vaak ziet als kinderen een bepaald probleem hebben, is dat ouders en hulpverleners eindeloos gaan zoeken naar de reden waarom een kind worstelt met dat probleem. Met andere woorden, er wordt flink gewroet in het verleden en er komen allerlei mogelijke verklaringen –te veel aandacht, te weinig aandacht, verkeerde vrienden, slechte band met de moeder, dominante vader etc.  -  maar uiteindelijk blijven het theorieën die je nooit kan toetsen aan de werkelijkheid. En  al zouden ze kloppen, dan nog kom je niet van je probleem af.  Sterker nog, ik denk dat je kinderen alleen maar gekker maakt met al die therapie. Zeker omdat het zo focust op het negatieve. Daarmee vergroot je het probleem. En het leidt kinderen af van de enorme innerlijke kracht die ze hebben. Een goed voorbeeld van hoe dat mis kan lopen is het zesjarige kind dat onlangs samen met haar vader bij mij langs kwam omdat ze nog steeds in haar broek poepte. Ze was met haar vader al langs twee andere therapeuten geweest die haar er niet vanaf konden helpen. Wel kwamen die deskundigen  steeds met een verklaring. Het had volgens hen alles te maken met het feit dat de moeder van het meisje kort geleden was overleden. Heel interessant maar daar schoot dit meisje niets mee op. Mijn benadering was daarom als volgt: dit meisje moet nú leren om naar de WC te gaan als ze moet poepen en daar gaan we een plan voor maken. Dat plan hebben we samen met haar stap voor stap uitgevoerd. En met succes; daar hoefden we haar overleden moeder helemaal niet bij te halen.”

Caroline Beumer, die in Nederland Kids’Skills trainingen geeft en ouders en kinderen begeleidt bij het toepassen van Kids’Skills, verduidelijkt de theorie door het te vergelijken met de meer gangbare praktijk in Nederland: “Stel je komt bij een reguliere therapeut met de klacht dat je kind af en toe van die vreselijk driftbuien heeft. Waarschijnlijk zal die therapeut dan voorstellen om te kijken hoe jullie thuis met elkaar omgaan. Ze zal wat adviezen geven om de communicatie te verbeteren en als het tegen zit plakt ze ook nog een of ander etiket op het kind – ADHD? – dat hem de rest van zijn leven blijft achtervolgen. Maar bij Kids’ Skills ga je werken aan de oplossing. Het probleem wordt alleen in het begin genoemd om aan de hand daarvan samen met het kind naar de vaardigheid te zoeken die het probleem kan verhelpen of verminderen. Bij de oplossing ga je uit van de kracht van het kind. Ouders en de rest van de omgeving worden gezien als supporters die deze kracht tot bloei kunnen laten komen. Dat zal niet in alle gevallen leiden tot een perfecte oplossing maar het zorgt bijna altijd voor een flinke verbetering.”

Om een nieuwe vaardigheid te leren ontwikkelde Furman een universeel stappenplan. Dat plan komt neer op het volgende:

1.Vertaal het probleem in te leren of te verbeteren vaardigheden. Met andere woorden: ga na welke vaardigheden het kind moet hebben om zijn probleem te overwinnen. Het is daarbij van essentieel belang dat hier wordt beschreven wat het kind zou kunnen áánleren in plaats van wat het kind zou moeten áfleren. Gaat het bijvoorbeeld om een kind dat driftig is, dan is de vaardigheid die geleerd moet worden:  rustig blijven of luisteren. Dat klinkt een stuk prettiger dan ‘leren om niet meer zo driftig te zijn’. ‘Als wij tegen een kind zeggen welk gedrag wij van hem willen zien in plaats van wat wij niet willen zien, zal het zich niet bekritiseerd voelen en dus niet de behoefte voelen om zich te verdedigen’ aldus Furman in zijn boek. ‘Zeg dus liever ‘praat eens zachtjes’ in plaats van ‘schreeuw niet zo tegen me’. Zeg ‘wees eens aardig tegen je zusje’ in plaats van ‘hou op met je zusje plagen’.

Het maken van deze vertaalslag is volgens Furman het moeilijkste onderdeel van het stappenplan. Zeker wanneer het gaat om een wat groter probleem Neem daar dan ook rustig de tijd voor en hak het probleem zonodig op in kleine deelproblemen. Begin steeds met het makkelijkste probleem. Is dat overwonnen dan begint het kind heel gemotiveerd aan het oplossen van het volgende probleem.

 

2. Is het probleem en de bijbehorende te leren vaardigheid gedefinieerd, bespreek het probleem dan met het kind en probeer het eens te worden over de vaardigheid die het gaat leren. Furman: “Als je wilt dat je kind meewerkt, is het soms handig om Kidsskills in groepsverband toe te passen. Ga met het de hele klas of het  hele gezin bijvoorbeeld ergens aan werken of doe het twee aan twee: een broer en een zus, vader en zoon, moeder en dochter. Dat werkt motiverend. Ik ken bijvoorbeeld een vader en een zoon die samen gingen proberen om minder te vloeken of beter geformuleerd, gingen leren om netjes te praten. Dat werd een heel spel waarbij de jongen probeerde om de vader in een lastige positie te manoeuvreren zodat de kans groot was dat hij zou gaan vloeken. Door dit spel bleef het allemaal heel luchtig maar het leidde er wel toe dat de jongen niet meer vloekte. En zijn vader was ook meteen geholpen.”

Kids’Skills-coach Caroline Beumer benadrukt dat als je je kind echt enthousiast wilt maken om mee te werken, je soms heel subtiel te werk moet gaan. “Het is heel belangrijk om te realiseren dat kinderen het vaak moeilijk vinden om hun gedrag te begrijpen. Als je bijvoorbeeld een driftig kind vraag waarom het steeds zo boos wordt zal het daar geen antwoord op kunnen vinden. En de kans is groot dat het geïrriteerd raakt zeker als je er te lang op door gaat. Wil je hem motiveren om zijn gedrag te veranderen, dan kun je beter proberen om aan te sluiten bij het positieve. Zeg bijvoorbeeld als een kind net een driftbui heeft gehad: ‘jé ik zag dat het je vlak voor je boos werd, lukte om je in te houden. Dat was vast heel moeilijk voor je. Wat knap, hoe deed je dat?’ Als je die vraag stelt dan spreek je het kind aan op zijn vermogens, op zijn innerlijk kracht. Is het kind zich daar eenmaal van bewust dan is het meestal wel geïnteresseerd om dat te versterken. Dit proces kan overigens best even duren. Want zoals ik al zei; hoe jonger het kind hoe meer je de informatie moet doseren. Wil je te snel , dan haakt het in negen van de tien keer af.

 

3. Stap 3 is er om het kind er echt van te overtuigen dat het zinnig is om de nieuwe vaardigheid te leren. In deze fase moeten kind en ouders en/of andere betrokkenen een lijst maken van de voordelen die het nieuwe gedrag zou kunnen opleveren. Dit verhoogt de motivatie van het kind.

 

4. Met stap 4 krijgt het leerplan een officieel tintje. Het krijgt namelijk een naam. Furman: “Door iets een naam te geven trek je het uit het vage. Zo wil een vriendin van mij nog steeds een keer op reis naar Australië. Dit noemt ze haar Australië-project. Daarmee is het een officieel iets geworden waar ze voor aan het sparen is en blijft het niet bij een vaag plan. Ditzelfde geldt voor het aanleren van een nieuwe vaardigheid.”

 

5. Laat het kind een mascotte kiezen voor zijn project. Furman: “Dit klinkt misschien raar maar heel veel mensen en zeker kinderen zijn op een bepaalde manier bijgelovig. Ik had een keer een jongen die alleen aan zijn nieuwe vaardigheid wilde werken als zijn pluchen paard in de buurt was. Kinderen kunnen daar een enorme kracht uit putten. Natuurlijk moet je kinderen die geen enkele behoefte hebben aan zo’n mascotte ook gewoon kunnen laten. Dan is het voor hen niet zo belangrijk.”

 

6. Laat het kind een aantal supporters kiezen. Dat kunnen ouders zijn, grootouders, buren etc. maar ook vrienden, de juf of de meester. Vraag deze supporters het kind aan te moedigen in zijn strijd om een nieuwe vaardigheid te leren. Volgens Caroline Beumer kan deze aanmoediging op een hele eenvoudige manier gebeuren. Een kind vraagt bijvoorbeeld aan zijn oma: ‘oma hoe ga je me helpen om met het duimen te stoppen?’ Dan kan de oma zeggen: ‘ik ga heel hard aan je denken want ik weet dat jij het kan’. Furman benadrukt dat een kind zich ook kan laten aanmoedigen door zijn leeftijdsgenoten, maar uiteraard blijft dit een beslissing die het kind zelf moet nemen.

 

7.Geef het kind het gevoel dat jij er vertrouwen in hebt dat het in staat is om een nieuwe vaardigheid aan te leren. Zeg dingen als ‘het is je al eerder gelukt’, ‘je hebt in het verleden ook moeilijke dingen geleerd’. Ook irrationele argumenten zijn goed:  ‘ik zie aan je ogen dat je het kan’ of ‘jij als boogschutter kunt dat zeker’.

 

8. Maak een plan hoe je gaat vieren dat een kind zijn nieuwe vaardigheid onder de knie heeft gekregen. Want door vooraf te bepalen hoe je het gaat vieren, krijgt het kind de boodschap dat het daadwerkelijk in staat is om de vaardigheid te leren. Overigens moet je dat  vieren volgens Ben Furman niet al te letterlijk opvatten:  “Je kan ook afspreken dat je samen naar de film gaat, of naar het zwembad.” “Of je gaat koekjes bakken, het hoeft helemaal niet iets groots te zijn”, vult Beumer aan.

 

9. Bij deze stap gaat het er om dat het kind laat zien hoe het zich gaat gedragen wanneer het de vaardigheden beheerst. In het boek staan een paar voorbeelden:

‘Als je hebt geleerd om zonder problemen naar bed te gaan, hoe ga je dan naar bed?

‘Als je andere kinderen niet meer gaat duwen, ook niet wanneer je ze plagen, wat doe je dan als iemand je plaagt?

‘Als je straks netjes gaat eten, hoe eet je dan?’

Door dit soort vragen te beantwoorden krijgt het kind niet alleen een duidelijker beeld van wat het betekent om iets te kunnen, het help ze ook om de nieuwe vaardigheid in de praktijk te brengen.

 

10.Treed naar buiten. Door het kind aan anderen  te laten vertellen waar het mee bezig ontstaat er een soort verwachtingseffect van de omgeving. Dat is gunstig. Uit onderzoek blijkt namelijk dat als een kind een bepaald probleem heeft en de omgeving denkt dat daar toch weinig aan te doen is, het kind wordt besmet met deze pessimistische opvatting. Omgekeerd geldt dat een kind dat laat zien dat het graag iets nieuws wil leren, zijn omgeving overtuigd van zijn wilskracht en daarmee  zorgt voor positieve verwachtingen. En die positieve verwachtingen zorgen er weer voor dat een kind een grotere kans van slagen heeft.

Overigens betekent dit naar buiten treden niet dat de hele wereld op de hoogte moet worden gebracht. Beperk het tot de familie, eventueel wat goede vriendin, en als het relevant is, de juf op school.

 

11. Spreek met het kind af hoe het zijn vaardigheden gaat oefenen. Volgens Furman is het handig om het kind dit zelf te laten verzinnen. Help het kind oefeningen te verzinnen die steeds een beetje moeilijker worden. Bij jonge kinderen kunnen rollenspelen in het begin heel nuttig zijn, maar oudere kinderen zullen daar waarschijnlijk geen zin in hebben. Voor hen kan het leuk zijn een logboekje bij te houden van de momenten waarop zij succesvol de te leren vaardigheid hebben toegepast.

In deze fase is het heel belangrijk om te blijven realiseren dat het oefenen zeker gepaard gaat met een aantal tegenslagen – twee stappen vooruit, één achteruit.  Andere belangrijk punt is dat de nieuw te leren vaardigheid, minimaal een keer per dag geoefend moet worden – en afhankelijk van de te leren vaardigheid misschien wel vaker dan een keer. En, heel belangrijk; deel veel complimenten uit. Wat dat laatste betreft is het volgens Furman goed om te realiseren dat indirecte complimentjes vaak nog effectiever zijn dan directe. “Zeg bijvoorbeeld – als je weet dat je kind je kan horen – tegen een vriendin hoe knap je het van je kind vindt dat hij al twee nachten in zijn eigen bed heeft geslapen.” Een andere complimenteertechniek die Furman aanraadt is de zogenaamde ‘driewerf hoera’. Zeg eerst ‘Oh’ en ‘Ah, wat knap van je’, zeg daarna dat je beseft hoe moeilijk het voor een kind moet zijn geweest om het gedrag te vertonen en vraag daarna hoe het kind het voor elkaar heeft gekregen. Met name dit laatst bevestigd het kind in zijn eigen vermogen om die nieuwe vaardigheid te leren.

12. Geheugensteuntjes bedenken: bedenk met het kind hoe het er aan herinnerd wil worden dat het zijn vaardigheid even is vergeten. Furman benadrukt dat je deze herinnering niet moet brengen als kritiek in de trant van ‘nou ben je toch weer driftig / aan het duimen/ uit je bed gekropen.’. Dat werkt demotiverend. Zeg liever ‘hé je vergat iets’ of spreek een woord of een code af dat aan het kind duidelijk maakt dat het even op het verkeerde spoor zit.

 

13 Vier dat het kind zijn vaardigheid heeft geleerd. Doe dit op de manier waarop dit is afgesproken bij punt 8.

 

14. Stimuleer het kind om zijn nieuw geleerde vaardigheid aan een ander door te geven. Volgens Furman beklijft een pas geleerde vaardigheid het beste als  het kind het weer leert aan een ander kind. Die neiging om iets aan een ander te leren, hebben kinderen volgens hem al van nature. Het geeft ze namelijk het gevoel dat ze nuttig en waardevol zijn.

 

15. Op naar de volgende vaardigheid! Volgens Furman is het handig om alledaagse problemen een voor een aan te pakken. Wil je bijvoorbeeld dat je kind stopt met nagelbijten, in zijn eigen bed slaapt en minder snel driftig is, zet dan twee van die problemen in de wacht – besteed daar geen aandacht aan -  en kies er één uit om mee te beginnen. Als het kind in staat is om de eerste vaardigheid aan te leren, zal het extra gemotiveerd zijn om aan het volgende te beginnen.

 

Zowel Furman als Beumer benadrukken dat het niet altijd nodig is om alle stappen uit te voeren. Furman: “Als je echt een serieus probleem hebt, bijvoorbeeld een kind dat niet in zijn eigen bed wilt slapen, is het wel verstandig op het stappenplan te volgen. Gaat het om kleinere dingen, zoals leren fietsen, dan is dat niet nodig. Je hoeft namelijk niet met een kind eindeloos stil te gaan staan bij de vraag waarom het zo belangrijk is om te leren fietsen. En nee, natuurlijk moet je niet elk wissewasje aan willen pakken met Kids Skills. Wel zijn er punten die je in je achterhoofd kunt houden, zoals het zeggen wat je wél wilt in plaats van wat je níet wilt. En ook het aanmoedigen is iets wat in zijn algemeenheid goed werkt bij kinderen. ”

Gaat Kids’ Skills niet voorbij aan de verschillen die er nou eenmaal zijn tussen kinderen? Furman: “Nee, dat doet het niet. Natuurlijk kun je een verlegen kind niet voor 100% van zijn verlegenheid af helpen. Maar je kunt wel bereiken dat het kind iets minder verlegen wordt. Daar geloof ik echt stellig in, zelfs als het gaat om kinderen met een neurologisch probleem.”