Je weet toch wel hoe het hoort?!


4.4.2013

‘Hebben jullie weleens van non-verbale communicatie gehoord?’,  vraag ik mijn oudste twee jongens, 11 en 14.  Zij zitten onderuitgezakt een beetje halfslachtig in het eten te prikken waar ik net drie kwartier voor in de keuken heb gestaan. Hun vork houden ze losjes vast tussen alleen duim en wijsvinger helemaal aan het uiteinde van de steel. ‘Non-verbale – wat?’  Nee dus. Ik zak onderuit,  pak  mijn vork op dezelfde manier vast, laat hem een paar keer lusteloos opwippen uit mijn aardappel en kijk ze aan. De boodschap is duidelijk. ‘Oh ja, huhuh’

Ik had nog geen kinderen maar was er wel van onder de indruk: de volgens filmrecensenten “beschamende therapiefilm”  ‘My Life’. De film gaat over de terminale kankerpatiënt Brian Jones ( Michael Keaton) die video-boodschappen gaat maken voor zijn nog ongeboren kind. Daarin leert ie zijn zoontje – want dat wordt het -   bijvoorbeeld hoe hij zich later moet scheren:  ‘je kan kiezen voor een opwaartse beweging – kijk, zo – of voor een neerwaarste beweging – zo’.  Maar hij leert hem ook hoe hij  zich moet gedragen als hij naar een feestje gaat:  ‘Er zijn twee manieren waarop je de kamer kunt binnen lopen. Dit is de goede manier’ – hij loopt met krachtige passen en een uitgestoken hand regelrecht op de gastheer af en zegt ‘Hi, I’m Brian Jones’. ‘En dit is wat je nóóit moet doen’ – hij kijkt met kromme schouders schuchter om zich heen en loopt heel verlegen en onhandig naar de gastheer toe en zegt zacht ‘hi, I’m Brian Jones’. ‘Nooit’, zegt hij stellig en kijkt met dwingende blik in de camera.

Het is met name deze scene die me lang is bijgebleven. Vreselijk Amerikaans natuurlijk, maar wat had ik het heerlijk gevonden als mijn ouders mij dit soort duidelijke instructies hadden gegeven. Dus niet een plotselinge dwingende ‘je weet toch wel hoe het hoort’- blik als je vergat hun ‘kennis’ een hand te geven. Maar gewoon: hoe geef je een goede hand? Wanneer is dat wel nodig en wanneer niet? Wat doe je als je op een klein feestje komt? Ga je dan bij iedereen langs – en zeg je bij steeds weer je vóór- en achternaam -  of steek je luchtig je hand op en roep je vrolijk ‘hallo’? En inderdaad, hoe hou je je lijf. Ooit heeft een mensendiecktherapeut mij heel duidelijk laten zien én voelen wat  het effect is als je je schouders naar beneden laat zakken en je hoofd recht op je nek zet in plaats van tien centimeter daarvoor. ‘Dan lopen ze niet meer zomaar bij je binnnen’, sprak ze vrolijk. En inderdaad, je straalt iets zelfverzekerds uit en je stelt je niet voor álles open.

Juist dit soort details, die verder gaan dan:  ‘en wat zeg je dan tegen de moeder van Bram? Precies: “bedankt voor het spelen”’, zou  je kinderen explicieter moeten bijbrengen. Zeker in een tijd waarin regels en etiquette zogenáamd niet zo heel belangrijk meer zijn, maar in de praktijk wel degelijk een groot deel van je succes bepalen. Zo bleek uit een recent proefschrift van Mick Mathijs (Universiteit Utrecht) dat arbeiderskinderen met een academische opleiding minder makkelijk carrière maken dan kinderen wiens ouders ook gestudeerd hebben. Dat zou voornamelijk komen doordat zij allerlei sociale codes niet beheersen. Hoe hou je je bestek vast bijvoorbeeld of hoe maak je een luchtig praatje met iemand.

Ik vroeg laatst aan mijn 11-jarige zoon of hij het moeilijk vond om met grote mensen te praten – ik zelf vond dat bijvoorbeeld heel ellendig en verschool mij graag achter mijn oudere zus. Hij zei dat ‘ie het vooral vervelend vond  als mensen hem van die vervelende vragen stelden over hoe het op school was enzo. Hij wist dan niet zo goed wat ‘ie moest zeggen. ‘Grote mensen moeten ook altijd aan elkaar vertellen wat ze allemaal gedaan hebben op hun dag. Dat vind ik altijd zó saai!’ Ik moest op dat moment vooral erg lachen om deze observatie van hem maar het was natuurlijk een uitgelezen moment geweest om hem iets bij te brengen over het belang van small-talk.

Want hij is niet het enige kind dat hier moeite mee heeft. ‘Ik ben een meisje van 12 jaar en zit net in de brugklas van de middelbare school. Mensen die ik ken, bijvoorbeeld ouders van vriendinnetjes van mijn zusje, vragen allemaal: “en, hoe is het in de eerste klas?”. Ik vind dat irritant omdat ik de hele tijd hetzelfde moet zeggen. Hoe kan ik hier het beste op reageren? Vragen wat het die persoon kan schelen? Of gewoon zeggen dat het leuk is? ’ Etiquette-goeroe Beatrijs Ritsema legt het meisje in haar vaste rubriek in het dagblad ‘Trouw’ uit dat je niet zo moeilijk moet doen over dit soort onbenullige vragen. Want nee, mensen zijn inderdaad niet echt geïnteresseerd in het antwoord, maar ze stellen de vraag gewoon om aardig te zijn of om je de indruk te geven dat jij de moeite waard bent om tegen te praten. Een kort eenvoudig antwoord volstaat dus op zo’n moment. En dat was natuurlijk wat ik ook aan mijn zoon had moeten vertellen.

Ik heb me nu voorgenomen om vaker dit soort onderwerpen ter sprake te brengen. Dus als een van mijn jongens jarig is en ik merk dat geen van zijn vriendjes mijn moeder een hand komt geven, dan zet ik dit onderwerp op het conversatiemenu: ‘weten jullie eigenlijk wat je moet doen als je op een verjaardag van een vriendje komt en er zitten meerdere volwassenen in de kamer?’  Dit doe ik niet om mijn moeder te wreken – ‘leren die kinderen niet meer dat ze een hand moeten geven?’ – maar wel omdat ik me realiseer dat de kans groot is dat mijn zoon zich bij andere grootmoeders van jarige kleinzoons op dezelfde manier gedraagt. Want wat je wél moet doen in zo’n situatie, daar hebben we het nooit zo expliciet over gehad. Het is voor mij namelijk heel vanzelfsprekend. En dat is precies waarom het er uiteindelijk toch nog vaak op uitdraait dat ik met net zo’n priemende blik als die van mijn ouders, probeer af te dwingen dat mijn kind doet wat ik hoop.