Fabels en feiten over het enig kind


3.4.2013

JM december 2008

Het zijn prinsen en prinsessen op de erwt, ze kunnen zichzelf niet vermaken, willen constant aandacht, ze zijn eenzaam, ouwelijk, willen altijd hun zin hebben, ze zijn driftig en asociaal en kunnen niet delen. Hun ouders zijn te beroerd om meer  kinderen op te voeden, gaan om de klip klap een weekendje weg om bij te komen – ‘mag ‘ie een nachtje bij jullie logeren?’ – en zijn permanent gefocust op hun ene kind dat niet alleen fungeert als accessoire maar ook nog eens alles moet waar maken wat papa en mama zelf niet is gelukt.

Tot zover de vooroordelen tegen enig-kinderen en hun ouders.

Nu de feiten.

Om te beginnen een relativering. Op de eerste plaats had maar liefst tweederde van de ouders met één kind graag een tweede of derde gehad. Vaak is dat vanwege vruchtbaarheidsproblemen of een gestrand huwelijk niet gelukt. Iedere jaloerse gedachte dat ze het maar makkelijk hebben is in de meeste gevallen dus tamelijk misplaatst. Verder moet je je realiseren dat je nooit kunt spreken van hét enig kind.  Het feit dat een kind opgroeit zonder broers en zussen is zeker een factor in zijn of haar ontwikkeling, maar er spelen natuurlijk nog een heleboel andere factoren mee die samen bepalen hoe een kind uiteindelijk wordt.

Met deze kantekening in het achterhoofd, dan nu ‘de feiten’ over enig kinderen:

 Eenzaamheid

Amerikaans onderzoek lijkt er op te wijzen dat enig-kinderen zich niet eenzamer voelen dan kinderen uit een groot gezin. Dat heeft waarschijnlijk te maken met de warme, vertrouwelijke en vaak zeer goede band die zij met hun ouders hebben kunnen opbouwen. Die neemt gevoelens van eenzaamheid weg. Verder blijkt dat enig-kinderen gemiddeld evenveel vrienden hebben als andere kinderen.

Sociale Vaardigheden

De algemene verwachting is dat enig-kinderen minder sociale vaardigheden hebben dan kinderen die met regelmaat moeten ‘dealen’ met hun broers en zusjes. Toch mag je op grond van het huidige onderzoek deze conclusie niet trekken – er zijn onderzoeken die inderdaad in die richting wijzen, maar er zijn ook onderzoeken die helemaal geen verbanden vinden. Volgens Jacqueline van Swet, orthopedagoog, klinisch psycholoog en auteur van het boek  “Enig kind”,  kun je over het algemeen stellen dat enig-kinderen vaak soepel in de omgang zijn en goed bestand tegen frustraties. Dat zou te maken kunnen hebben met het feit dat zij geen ‘onttroning’ hebben meegemaakt. Zij hebben nooit de frustrerende ervaring gehad waarbij zij hun unieke positie opeens moesten delen met een of meerdere broers of zussen. En omdat zij niet de jaloezie hebben gekend die gepaard gaat met het verlies van die exclusieve aandacht, blijken zij in de praktijk – in tegenstelling tot wat men vaak denkt – juist veel makkelijker te kunnen delen met anderen. Ze zijn gewoon minder bezitterig.

Maar niet alleen dit vooroordeel wordt weerlegd door onderzoek. Enig kinderen blijken in de praktijk ook veel minder verwend gedrag te vertonen dan men altijd denkt. Dat komt waarschijnlijk omdat ouders zo doordrongen zijn van dit risico om te veel te verwennen, dat ze er heel erg op gespitst zijn om het niet te doen.

Daar staat tegenover dat enig-kinderen minder goed zijn in ruzie maken en ruzies oplossen. Van Swet: ‘met name dat laatste is nuttig om te kunnen. Nou zou je kunnen zeggen dat enig kinderen dat net zo goed kunnen leren van hun vriendjes maar dat is niet waar. Een ruzie met een vriendje is enger omdat je dan het risico loopt om dat vriendje kwijt te raken. Die ga je dus sneller uit de weg dan een ruzie met je broers en zussen waarvan je toch zeker weet dat ze bij je blijven. ‘

 Vriendschappen en populariteit

De kwaliteit van de vriendschappen van enig kinderen wijkt niet af van die van andere kinderen. Daarbij gaat het om de mate waarin vrienden met elkaar spelen in de pauze, de mate waarin een vriend enthousiast is over het idee van het kind en de mate waarin vrienden elkaar helpen. Verder blijkt uit maar liefst eenentwintig Amerikaanse studies dat de populariteit van enig kinderen niet anders is dan die van andere kinderen.

Persoonlijkheid

Er is één opvallende persoonlijkheidstrek waarop enig-kinderen duidelijk afwijken: de motivatie om te presteren. Enig kinderen willen het over het algemeen beter doen dan anderen en zijn bereid om daar harder voor te werken. Op andere persoonlijkheidskenmerken zijn er weinig tot geen verschillen. Tot deze kenmerken behoren: dominantie, volwassenheid, zelfcontrole, zelfwaardering, tevredenheid, sociale deelname, relatie met ouders, en populariteit.

 Intelligentie

Enig kinderen scoren gemiddeld iets hoger op intelligentietests. Dat kan met verschillende zaken te maken hebben. Zoals gezegd zijn ze erg gemotiveerd om goed te presteren. Daar komt bij dat hun ouders meer tijd hebben om bepaalde vaardigheden met ze te oefenen omdat ze hun aandacht niet hoeven te verdelen over andere kinderen. En dus hebben ze ook meer tijd om ze te helpen met hun schoolwerk. Daarnaast is het volgens orthopedagoog van Swet waarschijnlijk zo dat enig-kinderen meer profiteren van de zogenaamde ‘procesfeedback’. Deze iets meer tijdrovende vorm van feedback komt er op neer dat als een kind je bijvoorbeeld een tekening laat zien je niet alleen zegt ‘oh wat mooi’ maar juist gaat doorvragen. Dus:  ”goh, wat heb je gemaakt?”. En: “hoe kwam je daar zo bij?”. Of:  “Wat een grappig mannetje, wat is hij aan het doen?”. Dit soort feedback – die je ook op allerlei andere terreinen kunt toepassen – leidt uiteindelijk tot beter resultaten.

Opvoeding

Tot zover de feiten. Maar hoe zit het met de opvoeding? Vragen enig-kinderen om een andere aanpak? Orthopedagoog Jacqueline van Swet : ‘Iedere opvoedsituatie – of je nou vier kinderen hebt of één – heeft zijn eigen valkuilen. Daar moet je dus extra alert op zijn. Zo is de kans groot dat als je ‘maar’ één kind hebt, je een hele hechte band met hem krijgt. Op zich prima, maar die band moet niet zo hecht worden dat het kind zich op latere leeftijd niet meer kan losmaken  Een effectieve manier om dat te voorkomen is volgens van Swet  de ‘liefdevolle verwaarlozing’. Dat komt er op neer dat je als ouder wel in de buurt bent maar niet de hele tijd op je kind focust. Je grijpt pas in als het nodig is.

Waar je ook op moet letten is dat je je kind de kans geeft om fouten te maken. Gebeurt dat in een gezin met meerdere kinderen vanzelf omdat je je aandacht moet verdelen, bij een enig-kind bestaat het risico dat je het kind alles uit handen wil nemen. Dat is jammer want op die manier mist hij veel kansen om van zijn eigen fouten te leren.

Tot slot wijst Van Swet er op dat je er bij een enig kind op moet letten dat het zich – bij gebrek aan broers en zusjes – niet de hele tijd vergelijkt met zijn ouders. Het kind loopt dan het risico dat het zich minder gaat voelen – het trekt zich als het ware op aan een niveau dat het nog niet kan halen. ‘Maar gelukkig’, zegt van Swet, ‘weten de meeste ouders dit heel goed te compenseren.’

Wat zeggen ze zelf?

Wie aan enig kinderen vraagt hoe zij zelf tegen hun situatie aankijken, krijgt een ander beeld te zien dan dat wat feitelijk wordt gemeten. Zo zeggen zij op oudere leeftijd relatief vaak dat zij zichzelf sociaal minder handig vinden  – ‘ik was niet zo assertief als de anderen’ – en dat zij minder behoefte hebben aan contacten met hun leeftijdgenoten.

Marcel van Aken, hoogleraar pedagogiek aan de universiteit van Utrecht kijkt niet zo op van deze reacties die afwijken van de eerdere uitkomsten van onderzoek naar enig-kinderen. “Volwassenen maken terugkijkend op hun jeugd een interpretatie. Ze willen weten waarom ze dingen doen zoals ze die doen. En omdat het enig-kind-zijn een bijzonderheid in hun jeugd is, kunnen ze eventuele problemen die ze hebben vervolgens daar aan wijten. Het wil helemaal niet zeggen dat dat ook zo is.

Maar los van de persoonlijkheidsaspecten geven veel enig kinderen op iets latere leeftijd ook aan dat zij het jammer vinden dat ze geen broer of zus als vertrouweling hebben om lief en leed mee te delen. Daar staat tegenover dat het merendeel het heel fijn vond dat ze de aandacht van hun ouders niet hoefde te delen en dat ze een hechte relatie met de ouders kon ontwikkelen.

Tip

Volgens van Swet hebben veel ouders van enig-kinderen het gevoel dat ze zich moet verantwoorden voor het feit dat ze er ‘maar’ een hebben. Daarnaast moeten ze geregeld opboksen tegen de vele vooroordelen die er bestaan tegen hun kind. Deze strijd kun je volgens haar vergemakkelijken door het onderwerp zelf ter sprake te brengen. ‘Wees geen slachtoffer maar neem zelf het initiatief”. En zorg er verder voor dat de vooroordelen tegen je ene kind niet gaan werk als een ‘self  fullfilling prophecy’. Met andere woorden dat ze bewaarheid worden.